Terug naar vorige pagina
De Tijd, 27 mei 1916
Bron: Koninklijke Bibliotheek
Voor de Armeniërs
Het jammerlijke lot, dat de Armenische bevolking van Turkije getroffen heeft in dezen
oorlog, heeft tot nog toe in Europa niet die deernisvolle belangstelling gevonden, die ook maar eenigszins in verhouding zou staan met
het ontzaglijke lijden, dat geleden werd, en
met de onvergeeflijke gruwelen, die gepleegd
werden. Het schijnt, dat langzamerhand ons
gevoel voor medelijden en rechtvaardigheid
wordt afgestompt en plaats gaat maken voor
geblaseerde berusting. Gelukkig heeft zich echter
in Zwitserland een comité gevormd, dat die
schuldige, ofschoon verklaarbare loomheid wil
tegengaan, de oude Europeesche liefdadigheid
weer wil opwekken tot hulpvaardigheid, en van
de gedeporteerde Armenische bevolking redden
wil, wat nog te redden valt.
Dit comité is in alle onpartijdigheid samengesteld.
Het manifest, dat het heeft uitgevaardigd, draagt de onderteekening van een honderdtal
Zwitsersche burgers, die voor twee
derden in Duitsch-Zwitserland en voor één
derde in Fransch-Zwitserland woonachtig zijn.
Naast den steun van protestantsche geestelijken
geniet het de medewerking van katholieke
persoonlijkheden als Mgr. Esseiva, pater Michaëlian,
baron de Montenach e.a. Politieke
actie of vijandelijkheid tegenover een of andere
mogendheid van Europa ligt zóó weinig in de
bedoeling van het comité, dat de eerste brochure,
die uitgegeven werd, wel in handen gesteld
werd van alle Zwitsersche geestelijken,
met zielzorg belast, maar tevens gedrukt werd
als manuscript, omdat men geen brandstof wilde
leveren voor licht ontvlambare journalistieke
pennen. De tweede brochure nochtans, die onder
denzelfden titel als de eerste verschenen is,
namelijk "Quelques documents sur le sort des
Arméniens en 1915", heeft men in den handel
gebracht, en wordt verkocht ten bate der
slachtoffers.
Met des te geruster geweten kon men, bij deze
tweede brochure, van den aanvankelijken voorzichtigheidsmaatregel
afwijken, omdat men ook
thans weer, om naar het vermogen een misschien
onvermijdelijk gevolg te keeren, zich
zorgzaam onthouden had van alle sensationeel
geschrijf. Slechts van volstrekt vertrouwbare personen heeft men inlichtingen aanvaard.
In de keuze is men niet eenzijdig te werk gegaan.
Naast gegevens, die verstrekt werden
door Zwitsers en Amerikanen, vindt men ook
mededeelingen, aan Duitschers ontleend. Jammer genoeg, zijn deze laatste niet zoo talrijk,
als men gaarne zou wenschen. Vooral zijn deze
berichten uit Duitsche bron schaarsch geworden, sinds de "Deutscher Hilfbund für christliches Liebeswerk in Oriënt" in zijn orgaan
"Sonnenaufgang" van 1 Oct. 1915 de volgende
noot liet afdrukken: "In ons voorgaand nummer hebben wij het verslag overgedrukt van
een onzer Zusters over haar reisondervindingen.
De aanvullende bijzonderheden, die ons
in overvloed geworden, moeten wij ons
voortaan onthouden te publiceeren. Onze vrienden zullen begrijpen, hoe zwaar ons dit valt.
Maar de politieke toestand van ons land eischt
dit." Gelukkig behoeven wij niet allen zooveel
terughoudendheid te betrachten. Het comité,
waarvan geest en samenstelling de uitsluitend
menschlievende bedoeling waarborgt, heeft
daarom ook niet gemeend zijn werkzaamheid
te moeten staken. Het woord, dat bij een vroegere moordpartij gesproken zou zijn door den
gezant eener buitenlandsche mogendheid: "Wij
zijn hier in Konstantinopel alléén om de lijken
te tellen" – dat woord is te schandelijk om
nagezegd te worden door de niet-politieke bevolking
van Europa. Getrouw aan zijn charitatieve
bedoelingen, wil het Zwitsersche comité
zich dan ook onthouden van alle polemiek.
Op één punt heeft het nochtans, althans
terloops, van dit voornemen moeten afwijken.
Het mocht de bewering niet onweersproken
laten, dat de Armenische moorden, slechts
rechtvaardige terechtstellingen waren. In enkele
zeer bezadigde bladzijden wordt de weerlegging
van dit praatje geleverd. Niet ondoelmatig
wordt hierbij het vroeger bericht aangehaald
van een bekend telegram-bureau: "Het
is totaal valsch, dat er in Turkije moordpartijen
op de Armeniërs hebben plaats gehad. De
Armeniërs van Erzeroem, Erzingan, Egin, Sassoun,
Bitlis, Musch en Cilicië hebben trouwens
geen enkele daad gesteld, waardoor de openbare
orde en rust verstoord is of die tegen hen
bijzondere maatregelen noodzakelijk gemaakt
heeft. Dit weten overigens de consuls der onzijdige
mogendheden."
Ook wij zullen ons niet verder inlaten met
deze afgedane zaak. Wij zullen liever de
woorden vernemen van een Duitsche missiezuster,
die sinds jaren in Armenië werkzaam
is en in het Aprilnummer van "Sonnenaufgang"
schreef: "Zegt toch aan onze vrienden, dat zij
niet ophouden te spreken en te pleiten ten gunste
van de gedeporteerde Armeniërs. Indien
er binnen een afzienbaren tijd geen verandering
komt, zullen zij binnen enkele maanden
uitgeroeid zijn. Klimaat, honger en ziekte dooden
bij duizendtallen. Degenen die te Hama, te
Homs en in de buurt van Damascus zijn, hebben
betrekkelijk minder te verduren. Men laat
ze met rust en zij kunnen zich levensmiddelen verschaften. Maar méér naar het Oosten, naar
den Euphraat, worden zij voortgejaagd van de
eene plaats naar de andere, mishandeld en uitgeschud. Velen, die wij persoonlijk kennen, zijn reeds omgekomen."
Volgens een betrouwbaar bericht, zou de
Turksche minister van binnenlandsche zaken
het aantal gedeporteerde Armeniërs zelf geschat
hebben op 800.000, en het getal omgekomenen
op 300.000.
Nog altijd kan dus Europa aan velen het leven
redden. Moge dan ook het Zwitsersche
comité veler steun ontvangen, opdat in een
dankgebed moge omgezet worden de jammerklacht
van één der gedeporteerden: "Is er wel
een Onze Lieve Heer voor ons, Armeniërs?"