De Tijd, 26 augustus 1909
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De verwoesting te Adana

Uit een schrijven van Mgr. Charmetant, Apostolisch Protonotarius ontleent "De Noord-Brabanter" aan "Oeuvre des écoles d'Orient" het volgende over de jongste moordpartijen in Armenië:

De Armenische katholieke gemeenschap werd bijzonder geteisterd gedurende die verwoesting, want de vrucht van 17 jaren arbeids van Mgr. Terzian is vernietigd, niet alleen te Adana, maar ook te Tarsus, waar het bedelhuis, de jongensschool, de huis der Eerw. Zusters een prooi der vlammen zijn geworden en de kapel totaal verwoest is. Op den dag van heden, bevindt zich de eerbiedwaardige prelaat met zijne priesters zonder verblijfplaats, hij heeft niets van zijne instellingen kunnen redden. De hoeve, welke een der voornaamste hulpbronnen van het diocees was, is totaal vernield; de directeur en alle beambten en werklieden zijn vermoord. Alles moet dus opnieuw begonnen worden. Maar hoe en waarvan ?

Het is een verschrikkelijke beproeving, maar waaruit de goede God het goede kan voortroepen.

Mgr. Terzian voedt de hoop, ondanks de opeenstapeling der puinhoopen, zijn werken in de naaste toekomst te kunnen herbouwen, als de katholieke liefdadigheid hem ter hulpe wil komen.

Men heeft opgemerkt, dat gedurende deze laatste moordtooneelen evenals gedurende de groote moordpartijen van 1905-1906 de aanvallers vooral de mannen hebben vermoord. Het is altijd dezelfde tactiek van den kant der Turken om het christenras zelf te treffen, hetwelk zij zouden willen uitroeien.

Slechts bij uitzondering en meest in aanvallen van wulpschheid, hebben zij vrouwen of jonge meisjes geslachtofferd; zij gaven er de voorkeur aan zich van haar meester te maken om haar in hunne harems op te sluiten, die hel van schande en ontucht – tenzij hun fanatisme de overhand kreeg en hun slachtoffers in de vlammen deed omkomen, zooals in het volgende geval gebeurd is, dat ooggetuigen verhaald hebben:

De Turken zeiden tot een arme katholieke Chaldeesche vrouw:

— Vrees niets; wij willen u het leven redden en u gelukkig maken, maar neem dan den Mahommedaanschen godsdienst aan.

— Ik ben christin! en christin zal ik altoos blijven.

— Gij weigert! Welnu, dan zullen wij u verbranden.

— Verbrand mij, als gij wilt.

De bandieten begoten haar kleeren met petroleum en staken haar in brand.

— In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes! lispelde de heldhaftige martelares onder het maken van het kruisteeken! Zij kruiste de armen en bleef stil rechtop en onbewegelijk staan.

— Gij staat in vlammen en gij schreeuwt niet? Voelt gij het vuur dan niet?

— Neen!

— O! voelt gij niets ? Welnu! dan hebben wij een ander middel om er wat spoediger een eind aan te maken.

— En zij hieuwen haar met het kromzwaard neer.

Bovenstaand verhaal, waardig der martelaren van de eerste Kerk, werdt ons meegedeeld door een onzer missionarissen van Adana, die aldus zijn brief eindigt:

"Waarde weldoeners! Na veel van u ontvangen te hebben, wagen wij het nogmaals bij u aan te kloppen, helpt ons onze werken te herbouwen, opdat deze ongelukkige streek, nog bevlekt met het bloed der martelaren, hare geestelijke en tijdelijke vruchtbaarheid der oude dagen herkrijge: Wanneer God iets wegvaagt, zegt Joseph de Maistre, dan is het om plaats te maken iets neer te schrijven."

Inderdaad, na dergelijke rampen gaat God voorbij om te verspreiden zijne genaden, waarvan men dan ook gebruik moet maken.

Deze gelukkige voorbijgang, wij hebben het reeds geconstateerd, heeft verscheidene treffende bekeeringen ten gevolge gehad.

Daarom hebben wij vertrouwen dat de verheven wensch van Mgr. Terzian in vervulling zal gaan :

"Mogen alle ongelukken, die ons treffen ons waardig maken om een groot getal zielen te redden! Dan zullen zij voor ons ware zegeningen zijn."

Dank zij de reeds ontvangen bijdragen hebben onze arme zusters en onze missionarissen een ambulance voor de gewonden, een apotheek voor de ziekenverpleging en een dagelijksche uitdeeling van voedsel kunnen organiseeren voor meer dan 1000 uitgehongerden onder de meest behoeftige overblijvenden.

Helaas! dat alles belet niet, dat nog velen van gebrek en ellende omkomen, vooral kinderen: Een der laatste statistieken meldt inderdaad, dat gedurende de laatste weken 632 weezen zijn gestorven, alleen in het vilajet Adana, tengevolge van gebrek aan voedsel, kleeding en onderdak !

Reeds zijn velen van de nog krachtigen onder die arme menschen hun brood gaan verdienen met veldarbeid gedurende de rest van het nog goede jaargetijde. Maar wij moeten van nu af denken aan den komenden winter, aan de noodzakelijkheid deze ongelukkigen te helpen om een schuilplaats te vnden te midden van deze puuihoopen, om zich beddegoed, onontbeerlijk lijfgoed en eenige kleederen te verschaffen, want zij hebben niets kunnen redden uit de niet te beschrijven ramp, waarbij een geheele bevolking, in enige uren hare woningen, haar nijverheid, haar handel heeft zien vernietigen, zoodat de meest achtenswaardige en rijke familiën thans in de grootste ellende zijn gedompeld en slechts van aalmoezen kunnen leven.

Het is dus noodzakelijk en voorzichtig van nu af den noodigen voorraad in voedsel, kleederen, geneesmiddelen op te doen, om niet binnen eenige maanden voor een gebrek aan alles te staan, als de winter is gekomen en de overgebleven zoozeer beproefde bevolking andermaal zonder dak, zonder mondvoorraad en hulpmiddelen te zien. Vooral de weduwen en weezen moeten geholpen worden: zij kunnen niet onder tenten huizen in de open lucht. Allen zijn zonder de minste hulpmiddelen om een schuilplaats te bouwen tegen het barre jaargetijde...

Wat al angstwekkende vraagstukken zijn er op te lossen en hoezeer hebben wij behoefte aan den liefdadigen steun der edelmoedige zielen om zooveel ellende te lenigen!

Colofon