De Tijd, 24 april 1909
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Iets over de Armeniërs

Zooals ik in mijn vorig artikel zeide, was mijn plan eerst met u naar lidiz te gaan, maar de laatste gebeurtenissen in Turkije hebben mij van plan doen veranderen, en wil ik u eerst een vluchtig kijkje geven in de verhouding van muzelman en christen onderling; hoe de regeering of die partij, welke weer aan het bewind wil komen, het volk en den godsdienst gebruikt tot verwezenlijking harer plannen, en wat den christenen en vooral den Armeniërs steeds te wachten staat; al deze beschouwingen zijn gebaseerd de gebeurtennissen in 1896, toen meer dan 100,000 Armeniërs slachtoffers gevallen zijn.

Stil is het!! Het laatste zonneglimpen glijdt van uit het Westen over de zee en zacht golvende lijn der duintoppen. Stil is het: rust op het land, rust op de verre zacht deinende zee, rust in de harten der menschen; daar is geen angst voor lijf en goed, geen wreede rassenhaat, geen versche herinnering aan bloedige godsdienstoorlogen en het oplaaiend fanatisme. Stil is het, en rustig in ons klein mooi Vaderland. Kalm, stil zitten de menschen bij de zachtzingende lamp, moe van het dagwerk. Toch even de couranten ingekeken, de lange en korte berichten vol onbegrepen nieuws uit het Oosten. Onbegrepen – niet voor mij, voor wie de letter is als een ongeluksbede van de de boorden van den Bosphorus. Naast me liggen de citaten uit officieele stukken van 1896. Zie, hoe Skutari opvlamde ln gloeiende avondtinten, hoe dezelfde zon eenige uren geleden over de blauwende bergen van Klein-Azië haar licht-goud goot. Ook daar was het stil op het land en zaten de boeren voor hunne leemhutten, maar die rust van de groenende akkers boeide hem niet. Met donkeren blik staarden ze op naar de carmijn gloeiende minarets, en als 'n wanklank trilden de Koranverzen door de ijle lucht. Hoe hard, vol donker fanatisme klinken ze dezen avond uit de rauwe kelen; hoe driest loopen de Kurden hun voorbij, en wat vreemde gloed ligt er in hun blik; en het was als teekende de zon met bloedroode cijfers het jaar 1896 in de lucht.

Nu ligt er nacht over het land: de boer heeft zijn deur zorgvuldig gesloten, maar slapen kan hij niet; wild jagen de gedachten dooréén, en weer scheurt de oude pas genezen wond. Regelmatig gaat het ademhalen der slapende kinderen. De anderen zouden reeds volwassen zijn geweest, en hem helpen hii den ruwen arbeid. O God! Mijne kinderen! Waar zijn zij begraven en waar heeft hun bloed de aarde gedrenkt ? Waar is zijne vrouw die met het kind, zijn kind, aan de borst is neergehakt? Waar zijn zijn vrienden, en wat hem bleef, waar zal dat morgen zijn ?

1896. Hoe plotseling, op een door de Turksche overheid gegeven teeken, barstte de slachting los, waaraan de soldaten die uitgezonden waren, tot hun bescherming, meest zelf deel namen.

1909. En weer staan we aan den vooravond van gebeurtenissen in het Oosten, die om wraak zullen roepen tot den God der Christenen.

Geve God dat dit geen profetie is, die bewaarheid wordt; maar de geest van Mahomed staat weer op uit z'n graf.

Cedernhaüser tragt der Atlas auf den Riesemschuldern;

Saüsend wehen über seinem Haüpte tausend Flaggen,

Durch die Lüfte, Zeugen seiner Herrlichkeit!

Ons uit eigen ervaring een oordeel te vormen over de Armeniërs als volk, en de oorzaken der vreeselijke slachting die onder hen is aangericht, en die een groote factor geworden is in de wijziging van hun volkskarakter, ligt niet in mijn macht. Alléén wensch ik zoo getrouw mogelijk weer te geven, wat Armeniër vrienden, en zij die voor hen onverschillig zijn, oordeelen – menschen, die lang genoeg in dit land geleefd hebben, en met hen omgang hebben gehad, om afgescheiden van de kleine dikwijls onbeduidende voorvallen die hen tegen de Armeniërs innamen, zich toch een zuivere, eerlijke opinie over hen gevormd hebben. De eerlijke tegenstander van dit ras, die dit misschien door kleine persoonlijke onaangenaamheden geworden zijn, zullen wèl de fouten naar voren brengen, maar het goede over het hoofd zien, evenals de vrienden het omgekeerde zullen doen.

Dit onderwerp lijkt mij van des te meer belang, daar het diep ingrijpt in de geschiedenis van heel het Oosten, en de behandeling er van tevens een juist beeld geeft van het karakter der Turken, van af den Sultan, tot den eenvoudigsten Hamal en wilden Kurde van Klein-Azië.

De Armeniërs behooren tot de oudste echt Kaukasische volksstammen, maar werden langzamerhand voor een groot gedeelte uit hun zelfstandig rijk door de Kurden verdreven, uitwijkende naar Klein-Azië, wat steeds meer en meer hun nieuw vaderland werd, als men van een vaderland spreken kan, waar ze steeds onder den druk van den Islam stonden; ook naar Europeesch Turkije kwamen er velen, maar niet in die mate als naar Klein-Azië, waar hun aantal circa 2 millioen moet bedragen. Wat hun godsdienst betreft, behooren ze tot de Armenische gregoriaansche Kerk, de geünieerde Katholieken, en protestanten. ledere groep heeft haar eigen vertegenwoordiger bij de Porte. De priesters der gregoriaansche kerk zijn òf Vardabet die niet huwen, òf de gewone geestelijken – Derder – die huwen kunnen. De meest gebruikelijke taal is Turksch; enkele meer ontwikkelden spreken ook Armenisch. Jammer is, dat bij hen 't nationaliteitsgevoel zoo weinig ontwikkeld is; terwijl de rijke Grieken alles doen met opoffering van groote sommen om zich als nationaliteit te handhaven, laat zich de Armeniër daar weinig aan gelegen liggen. Alleen naar hun uiterlijk blijven ze steeds een typisch, spoedig van anderen te onderscheiden ras. Ze zijn klein en gedrongen met groven lichaamsbouw, zwarte haren en breed gelaat met verre van fijne trekken. Wat ambachten, werkkracht en hun geheele optreden betreft, kan men ze het best vergelijken met de Joden van het Oosten. Hun lafheid, eigenwaan en egoïsme, gepaard met onverdroten vlijt en handelstalenten, maken ze tot de meest gevreesde concurrenten, woekeraars en speculanten.

Als men de Armeniër-vervolging beschouwt in het licht der Joden gruwelen in Rusland, die maar al te verklaarbaar zijn, door 'n spontane bandelooze volksuiting, van een volk, dat geheel onder den druk der Joden stond, vergist men zich zeer. Voor mij liggen autentieke, meest geloofwaardige stukken, opgemaakt door de consuls der verschillende districten, uitlatingen der moordenaars zelf, en van regeeringsbeambten, die het tot een onloochenbaar feit vaststellen, dat deze gruweldaden geen oorsprong gevonden hebben in natuurlijk opgewekten volkshaat, maar in de lange voorbereiding door de regeering. Als iemand hier beschuldigd moet worden, als op iemand de schuld van al de wreedheden der Turken en al het bloed der slachtoffers neer moet komen, dan is het op Sultan Abdul Hamed, hem, den bloeddorstigen lagen tyran, die jaren achtereen zijn volk onderdrukt heeft en het door de zware bloedschuld de zware straf der langzame verdelging op den hals heeft geschoven.

Ook zonder die reeks van onomstootelijke getuigenissen liggen zulke gruweldaden geheel buiten het karakter der tegenwoordige Turken, die de meest flegmatische en verdraagzame menschen der wereld zijn, en alléén dan in razernij geraken, wanneer hun vast slapende hartstocht van hoogerhand wordt opgezweept, onder den mantel van de verdediging hunner godsdienstige overtuiging. Zoolang de Islam niet is uitgeroeid en enkele laaghartige regeeringsbeambten het volk door hun godsdienst naar hun inzichten kneden kunnen, zoolang blijven zijn aanhangers voor elken Christen en voor de geheele Christen-beschaving, een groot gevaar. Eén man sleepte met zijn overtuiging, of bedrog, (wie zal het zeggen) ontelbare heerscharen mede: die kracht van dien éénen man slaapt nog als een wilde leeuw in volle levenskracht.

Niet om het volk zelf, maar om hun verderflijke leer ware het te wenschen, dat ze, zoo al niet van de aarde, dan toch van Europeeschen bodem werden weggejaagd. Maar stel nog, dat die gruwelen uit een, uit het volk zelf voortgesproten haat tegen hun moreele onderdrukkers ware voorgekomen, niet in hoofdzaak zijn de woekeraars en handelslieden vermoord, maar de kalme nijvere boeren in Klein-Azië: honderden dorpen zijn uitgemoord. Waar dient het voor, het lang gestolde bloed weer vloeibaar te maken, en de stapels lijken, waarmede de putten gevuld waren, te laten opstaan om te verhalen van hun waanzinnigen agnst, hun vreeselijke folteringen en vernederingen? Waar dient het voor het beschaafde Europa weer opnieuw te beschuldigen van lijdelijk toezien in plaats van krachtig in te grijpen; haar moreele degeneratie waardoor de regeringen, bedorven politiek boven plicht van een christelijke moraal stelde, aan te toonen? Het ware roepen tegen een vaste kouden rotswand ; de uiting van één menschenziel doet geen wereldgeest wenden op zijn baan.

De tijden van ijzeren mannen, zooals Heijne zoo mooi zegt, zijn voorbij. Thans toont zich niet meer de wijsheid van God in de dwaasheid van een kinderkruistocht. Waarom roepen tegen steenen? Er zal een tijd komen, dat heel die moderne beschaving in zich zelf ineenstort: zij is ais een gouden troon met houten voet, waarin de worm der vernietiging knaagt.

Colofon