De Tijd, 22 juli 1902
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Buitenland

Zooals reeds gemeld is, heeft het pan-armenisch Congres te Brussel besloten, door het permanent internationale comité in de europeesche Parlementen, in de pers en in de openbare meening stemming te doen maken voor het tot stand brengen der hervormingen door Turkije, in artikel 61 van het tractaat van Berlijn toegezegd aan de Armeniërs. In een ietwat officieus getint artikel verklaart nu de Köln. Ztg., dat van dit besluit geen goede uitwerkselen verwacht kunnen worden, daar "de mogendheden niet geneigd zijn, radicale stappen te doen, en de besluiten van het brusselsche Congres in Konstantinopel de antipathie tegen de Armeniërs slechts zullen doen toenemen." Hervormingen voor de bevolking laten zich door vreemden invloed slechts in die grootere gedeelten van Turkije opdringen, welke tegelijkertijd ook organisch van het rijk worden losgemaakt, zooals bijv. Oost-Roemelië, Samos en Kreta, doch de beantwoording der vraag, in hoeverre men te Konstantinopel op den weg der hervormingen, zal voortgaan uit eigen beweging, hangt tegenwoordig meer nog dan vroeger af van den wil der Sultans, meent de Kölnische. Meer dan de vrees voor gevaar vermag bij iemand met een energie als die van den Sultan het denkbeeld, dat hij slechts behoeft te willen om zich in het boek der geschiedenis een grooten naam te verzekeren. De hoop hierop mag niet groot zijn, doch voor de Armeniërs en anderen is zij thans de eenige.

Het was te verwachten, dat de pleitbezorgers der Armeniërs van de zijde des "eenigen vriends" te Berlijn niet veel steun te verwachten hadden.

Colofon