De Tijd, 17 mei 1909
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Christenmoord in Noord-Syrië

Zekere heer Gibbons, professor aan het Amerikaansche college te Tarsus, verzond 27 April j.l. uit Mersina een brief aan de "New-York Herald", waarin een tafereel geschetst wordt van de eerste (later door nog ergere gevolgde) moord- en plunderpartijen in Noord-Syrië. De schrijver vertoefde tijdens de slachting te Adana en was dus ooggetuige van de gruwelen. Aan dezen brief ontleent "De Voorhoede" de volgende treffende bijzonderheden:

Het is onmogelijk te overdrijven, schrijft de professor, want de gruwelen gaan elke beschrijving te boven. De troebelen braken op 14 April te Adana uit en dadelijk ging het moorden gepaard met het plunderen der Armenische bazars, de rijkste en grootste van de stad. Om 11 uur 's morgens was ik met een toerist op het telegraafbureau en daar werden voor onze oogen, vijf Armeniërs vermoord en verminkt. Het gelukte ons het gebouw te ontvluchten en het gouvernementsgebouw te bereiken, waar wij twee dagen bleven. Gedurende deze 48 uur verdedigden de Armeniërs hun stadskwartier. Zonder dien tegenstand, zouden er ongetwijfeld nog meer gedood zijn en was geen winkel gespaard gebleven. 1500 personen waren in den strijd gevallen. Vrijdag 16 April trad een soort van wapenstilstand in. De straten waren in puinhoopen veranderd. Overal zag ik lijken liggen, zoowel van vrouwen als van mannen en kinderen. Ik telde dien dag 12 wagens volgeladen met lijken, die uit het midden der stad naar de rivier reden, waar men de lijken in het water wierp.

Op den dag dat de moord begon, kwam majoor Dougthy-Wylie, de Engelsche vice-consul naar Adana. Hij deed alles, wat hij kon om aan de gruwelen een einde te maken. Hij en zijn vrouw begaven zich overal tusschen de strijdenden om menschen te redden, maar zijn arm werd door een kogel doorboord zoodat hij zich moest terugtrekken. Juist dien dag was er te Adana een jaarlijksche bijeenkomst geopend van Amerikaansche missionarissen in Turkije werkzaam. Zij begaven zich voortdurend onder de strijdenden, en het lukte hun honderden Armeniërs te redden. Donderdagmiddag werden in koelen bloede twee missionarissen doodgeschoten, die een huisje naast hun school gelegen, trachtten te blusschen. En dat hoewel de Turken hadden beloofd hun bij het blusschen in niets te zullen hinderen.

Van uit Adana plantte zich de beweging door de geheele streek voort, en geen Armeensch dorp bleef gespaard. Men schat het verlies aan menschenlevens op 25.000. Slechts te Mersina werd de rust niet gestoord, dank zij de tegenwoordigheid van Fransche en Engelsche oorlogschepen. Op het platteland zijn echter slechts weinig Armeniërs ontkomen. De mannen zijn gedood, de huizen verbrand, de vrouwen onteerd en de meisjes zijn bij honderden in de Turksche harems opgesloten.

Vrijdagmiddag vertrokken 100 soldaten, die in weerwil van ons protest van wapens waren voorzien, naar Tarsus, waar zij met de Turken in één nacht een ontzettende verwoesting aanrichtten. 800 huizen werden verbrand en voor meer dan 2½ millioen gulden schade aangericht. Hadden in het Amerikaansche college niet meer dan 400 Armeniërs bescherming gevonden, dan was het aantal slachtoffers daar ook grooter geweest.

Ook na de eerste moorden bleef onze positie hachelijk, ondanks de aanwezigheid van 3 slagschepen. Overal hoort men "Turkije voor de Turken" en "Dood aan de Galliërs." Ongetwijfeld heeft men hier te doen met een met zorg voorbereide pan-Islamietische beweging.

Hoe de tot ontzet gezonden Jong-Turksche troepen ziin opgetreden, zullen wij in het volgende nummer opnemen.

Colofon