De Tijd, 1 september 1890
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Armenische quaestie

De verschrikkelijke gruweldaden in Erzeroem, het bloedbad, daar enkele weken geleden aangericht door een woeste bende mohammedaansche soldaten, aangevoerd door den vali van het turksch gouvernement, hebben opnieuw de aandacht der diplomaten gevestigd op het reeds zóó lang verdrukte Armenië. Nogmaals is een kreet van verontwaardiging en medelijden voor die arme christenen uit de beschaafde volken opgegaan.

't Is ongelooflijk in hoe beklagenswaardigen toestand die Armeniërs verkeeren. Men besteelt hen, als men zich den tijd niet gunt hen uit te zuigen. Zelfs de eer hunner vrouwen en dochters is niet veilig. In de steden overheerscht hen eene haatdragende ambtenaarskaste; de landelijke bevolking is hulpeloos overgeleverd aan de Circassiërs en de Koerden, voor wie moorden wet en stelen beroep zijn.

In Europeesch Turkije genieten de christenen onder het waakzaam oog der consuls eene betrekkelijke vrijheid. In Azië hangen ze af van de willekeur dier Ottomannen, voor wie de Islam zich nog samenvat in dezen kreet van haat: "Dood aan de Giaours!" En hoe lang reeds duurt die toestand! Sinds de twaalfde eeuw hebben de Armenische Christenen voor hun geloof geworsteld; sinds de veertiende zijn zij vervolgd geworden.

Eindelijk eerst in 1877 lieten de Europeeschen natiën zich bewegen door de kreten van doodsangst dezer arme menschen, die men schaamteloos besteelt en meedogenloos vermoordt.

De Russisch-Turksche oorlog stelde de Armenische kwestie. In art. 16 van het verdrag van San-Stefano werd zij behandeld.

Art. 61 van het verdrag van Berlijn, blijkbaar ingegeven door prijzenswaardige menschlievende gevoelens, formuleert volgenderwijze de desiderata der Europeesche mogendheden:

"De Verheven Porte verbindt zich, zonder verder uitstel de verbeteringen en hervormingen te verwezenlijken, welke de locale behoeften eischen in de provinciën, bewoond door de Armeniërs, en hare veiligheid te waarborgen tegen de Circassiërs en de Koerden. Zij zal op geregelden tijden van de tot dat doel genomen maatregelen kennis geven aan de mogenheden, die voor de toepassing ervan zullen zorg dragen."

Zonder verder uitstel. Wij schrijven nu 1890, en er is nog niets gedaan. Aan aansporingen door de mogendheden heeft het niet ontbroken. Vooral Engeland heeft zich onderscheiden. Reeds in 1878 richtte lord Beaconsfield, en na hem lord Salisbury, ernstige vertoogen tot de Porte, om haar te bewegen de inrichting der rechtspleging, van het politiewezen en het financieel bestuur te wijzigen en te hervormen. Gladstone deed dit eveneens in 1880, en Salisbury herhaalde het in 1886.

En gedurende al die tijd hebben de Koerden hun roof- en moordzucht voortgezet. De vali's gaven vrij spel, als zij-zelven niet nog op andere wijze medeplichtig waren en hun deel van den buit namen.

Ruim een maand geleden had lord Salisbury, op aansporen van Gladstone, op de eerste tijdingen van de bloedige tooneelen in Erzeroem, een onderhoud met Rustem-pacha, den Turkschen gezant te Londen. Deze beloofde namens zijn gouvernement al wat men wilde: de Porte zou een streng onderzoek instellen, meedoogenloos elken nieuwe aanslag onderdrukken, enz.

Er is echter nog geen Turksch verslag aan de Engelsche regeering overlegd. Lord Salisbury, ongeduldig geworden, maakte nu aan Rustem-pacha zeer scherpe opmerkingen en gaf gelijktijdig aan den Engelschen gezant te Constantinopel formeele inlichting om, kost wat kost en onmiddelijk, de Armenische kwestie tot oplossing te brengen.

Is er, ondanks den gebleken onwil der Ottomaansche diplomatie, kans dat eindelijk de Armenische Christenen voldoening zullen krijgen?

Die kans schijnt te bestaan, want men vergete het niet: niet alleen beweegredenen van menschlievendheid, maar ook drijfveren van zuiver eigenbelang noodzaken Engeland tot een krachtdadig optreden. Lord Salisbury moet vreezen – en de stappen, die de Russische gezant te Londen den 13° dezer bij hem heeft gedaan, laten daaromtrent geen twijfel, – lord Salisbury moet vreezen, dat als hij niet spoedig handelend optreedt, Rusland de zaak der Christenen van Armenië ter hand zal nemen en die in zijn voordeel oplossen. Nu heeft Engeland groote redenen, om zich niet op den voorgrond te laten dringen.

Groote belangen staan voor Engeland in Armenië op het spel. Door tusschenkomst zijner zendelingen heeft het dáár zijne tegelijkertijd èn zijne taal, èn zijnen zedelijke invloed en zijnen handel verspreid. Het begrijpt de buitengewoon groote toekomst, welke deze landstreek te wachten staat, eene landstreek, die, aan de poorten onzer beschaafde wereld gelegen, het verbindingspunt vormt tusschen Azië, Afrika en Europa. Het weet hoe vurig dit Land begeerd wordt door Rusland, dat het beschouwt als den sleutel van Constantinopel, van Suez, van de Perzische golf, van de Middellandsche zee en van Indië.

Alles zal Engeland in het werk stellen om spoedig te handelen en de eerste te zijn, om van den Sultan eene bevredigende oplossing, hoe dan ook, te verkrijgen en op deze wijze in Armenië zijnen invloed te vermeerderen en zijne macht zooveel mogelijk te bevestigen in eene van de rijkste en onder strategisch opzicht meest belangrijke landstreken der wereld.

Deze naijverige worsteling tusschen twee machtige rijken zal den beklagenswaardige christenen van Armenië, die zoveel eeuwen verdrukt zijn, ten goede komen. Zij zullen er hun verlossing, misschien hun zelfstandigheid aan te danken hebben.

Colofon