Het Centrum, 6 juni 1921
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De moord van een millioen

Reeds tijdens den oorlog werd het nu en dan gefluisterd, dat de Turken honderdduizenden Armeniërs moedwillig hadden vermoord. Maar wie toen daarover wilde spreken werd met het verwijt, dat hij anti-Duitsch was, tot zwijgen gebracht. Nu echter komt de volle en vreeselijke waarheid aan 't licht.

Te Berlijn heeft terechtgestaan de moordenaar van den Turksche staatsman Talaat Pacha. Deze Turk moet er zich tijdens zijn leven op beroemd hebben, dat hij het Armeensche vraagstuk had opgelost. Welnu, bij de behandeling der zaak van den inmiddels vrijgesproken moordenaar bleek, waarin de oplossing van het Armeensch probleem door de Turken bestond.

De correspondent der Msb. schrijft: Bij het getuigenverhoor inzake het proces tegen den moordenaar van Talaat Pacha, baarden vooral de verklaringen van de echtgenoote van den tabaksfabrikant Paschian groot opzien. Zij vertelde uit haar eigen ondervinding van de vreeselijke gebeurtenissen der gruwelen, bij de massa-deportaties door Turksche soldaten bedreven. Zij verhaalde, hoe menschen aan elkander gebonden en in het water geworpen werden of mannen voor de oogen hunner vrouwen verminkt of gedood werden.

Prof. Niemeyer merkt op, dat, ofschoon haar verklaringen nogal fantastisch klinken, wanneer iemand aan de juistheid daarvan zou twijfelen, hij zou willen verklaren, dat duizenden dergelijke gruweldaden bedreven zijn. Daarop volgen de exposé's der beide deskundigen. Professor Lipsius behandelt de Armeensche kwestie, nadat de voorzitter hem de vraag heeft gesteld, of de gruwelen in aanzienlijke mate waren voorgekomen en of aan de getuigenissen van den aangeklaagde en de getuige geloof gehecht kan worden.

Professor Lipsius zegt: "Het algemeene bevel tot deportatie werd in April 1915 gegeven door het Jong-Turksche comité, Talaat Pacha als minister van binnenlandse zaken en Enver Pacha als minister van oorlog. Dit bevel heeft op enkele uitzonderingen na de geheele Armeensche bevolking getroffen. Voor den oorlog waren er 1.850.000 Armeniërs."

Het bevel luidde dat de Armeniërs in de Mesopotamische woestijn moesten worden gedreven. Van de Oost-Anatolische-Armeensche bevolking is nauwelijks 10% aangekomen. De andere mannen, vrouwen en kinderen zijn onderweg door honger, ziekte en moorden gestorven. Deze feiten zijn ontleend aan de rapporten van den Duitschen consul en gezant. Volgens het oordeel van den gezant in Constantinopel zijn 1 millioen Armeensche mannen, vrouwen en kinderen omgekomen. Voor de Zuid-Anatolische gedeporteerden was de toestand iets gunstiger.

Systematisch, en op de gruwzaamste wijze werden de gedeporteerden ter dood gebracht. Zoodra de concentratie-kampen overvol waren, werden de Armeniërs bij massa's de woestijn in gedreven en aldaar gedood. Het was het doel der Turken een geheel volk uit te roeien. Slechts met de brutaalste en meest onmenschelijke methoden kon in zoo'n korten tijd een millioen menschen worden gedood. Zulks is ook vastgesteld door het krijgsgerecht, dat in 1919 Talaat Pacha, Enver Bey en andere Jong-Turken veroordeelde. Gespaard bleven slechts 200.000 Armeniërs in Constantinopel, Smyrna en Allepo.

De oorzaak der massa-moorden lag volgens professor Lipsius voornamelijk daarin, dat de Armeensche kwestie tot een verdeeling van Turkije zou kunnen leiden en daarom wilde men alles, wat niet Turksch was, vernietigen.

Aan deze verklaringen werden dan door Liman van Sanders eenige bemerkingen van militair standpunt toegevoegd. Hij zeide dat alles, wat in Armenië geschiedde, van twee gezichtspunten uit moest worden bezien: 1e. Stond de Jong-Turksche regeering op 't standpunt van 'n deportatie der Armeniërs en 2e. zijn de gevechten, die in Armenië plaats hadden, slechts daardoor ontstaan, dat de Armeniërs zich verdedigde en zich niet wilden schikken in een ontwapening.

De Jong-Turksche regeering, verklaarde hij, heeft bevel gegeven tot deportatie der Armeniërs op berichten van de civiele en militaire autoriteiten. De Duitsche regeering had alles gedaan, wat zij kon en dikwijls door bemiddeling van den gezant Metternich tegen de Armeensche gruwelen stelling genomen. Dat Duitsche officieren aan dergelijke gruweldaden hadden deelgenomen, was beslist onwaar. Hoever of Talaat Pacha persoonlijk bij de verordeningen was betrokken, kon Liman van Sander niet zeggen.

De schildering van de moordpartijen onder de armeniërs werden ook nog bevestigd door een katholieken bisschop, die uit Manchester naar Berlijn was overgekomen. Getuige was meermalen in Armenië geweest, ook in de jaren 1915 en 1916. Hij was zelf gedeporteerd en verklaarde, dat een plan tot vernietiging heeft bestaan en bevel gegeven werd alle Armeensche mannen, vrouwen en kinderen te doden.

Colofon