Het Centrum, 27 april 1918
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Aan het Duitsche volk

is door het Dagelijks Bestuur van den Bond van Neutrale Landen een manifest gericht, waarvan we den inhoud geheel voor rekening laten van dit Bestuur. Daar dit Bestuur evenwel bestaat uit vooraanstaande mannen, – onze groote bouwmeester Dr. Cuypers is eere-voorzitter – mogen we dit document niet verzwijgen.

Het manifest luidt als volgt:

"Als vrije Nederlanders richten wij het woord tot u. Wij achten het onzen plicht u te wijzen op den indruk, dien de jongste daden, door uwe machthebbers verricht of met hunne medeplichtigheid gepleegd, in de gansche wereld moeten maken. Opnieuw is het Armenische volk aan de Turken uitgeleverd. De moordtooneelen van 1915 zijn hervat. In dat jaar is Turksch-Armenië bijna volkomen uitgemoord, voor zoover de bevolking niet kon wegvluchten en voor zoover de vrouwen en meisjes niet door de Turken werden geroofd.

Meer dan een half millioen Armeniërs zijn toen omgekomen. Misschien twee honderdduizend slaagden er in op Russisch grondgebied te vluchten. Dat gebied is thans met instemming van uwe regeering en die van Oostenrijk-Hongarije aan de Turken uitgeleverd. Reeds zijn hun troepen binnengetrokken in de streken die de Russische legers bezet hebben gehouden. Reeds zijn te Trebizonde, te Samsoen, te Oerfa en elders de moorden en martelingen hervat. Nooit is in eenig vredesverdrag een zoo afgrijselijke bepaling opgenomen als die van den vrede van Brest-Litouwsk, waarbij de Russische provinciën Kars, Batoem en Ardaken aan de Turken werden ten prooi gegeven. Door die vredesbepaling werd opnieuw over honderdduizenden het vonnis van marteling en dood uitgesproken; voor tallooze vrouwen en meisjes bracht zij den gruwel der onteering.

Paul Rohrbach heeft in zijn "Weltpolitisches Wonderbuch", dat in 1916 verscheen zijn afkeuring uitgesproken over de moorden op de Armeniërs in Adana in 1909. Die woorden van afkeuring zijn door uwe censuur geschrapt.

En hoe weinig beteekenden die moordtooneelen, vergeleken met het uitmoorden van een gansch volk, in 1915, met medeplichtigheid van sommige Duitschers aangericht, maar waarover andere Duitschers, die ooggetuigen waren, schande hebben geroepen. Terwijl in het Oosten zulke dingen gebeuren, beschieten uwe kanonnen Parijs. Niet tijdens eene belegering, waarbij de val der stad van beteekenis zou kunnen zijn, maar op een wijze, die geen ander effect kan hebben, dan het dooden der weerloozen en misschien het vernietigen van eenige der schoone gebouwen en monumenten, welke den roem van Europa uitmaken. Deze wilde, nuttelooze beschieting van een centrum der beschaafde wereld, is een kaakslag aan die wereld zelve, een kaakslag ook voor de ontelbare duizenden uwer eigen landslieden, die deze oude en schitterende stad liefhadden, om haar schoonheid en historische waarde en die zichzelven moeten afvragen, welke na den oorlog de plaats zal zijn van de Duitsche natie, die er niet kan berusten voor goed van de overige wereld vervreemd te blijven.

Wij hebben geprotesteerd tegen de verdrukking en leegplundering van België en Noord-Frankrijk; tegen de deportatie hunner bewoners en tegen het te werk stellen van mannen, vrouwen en kinderen, voor oorlogsdoeleinden, tot vlak achter de frontlinie, wat nog heden ten dage geschiedt."

Wij hebben geprotesteerd tegen het deporteeren en vermoorden der Serviërs door Oostenrijkers, Hongaren en Bulgaren; tegen het doen verdringen van honderden weerlooze zeelieden, vrouwen en kinderen door uwe duikbooten.

Wij verheffen opnieuw onze stem en achten het temeer onzen plicht, dat op dit oogenblik te doen, nu uwe vijanden onze schepen hebben gerequieerd, om u beter te kunnen bestrijden.

Juist nu is het de tijd om het u zelven te zeggen: Meen niet, dat wij, Nederlanders, zoo verdorven zijn, om gehoor te geven aan de stemmen, die ons zouden willen misleiden omtrent ons waarachtig belang, dat gelijk is aan dat der menschheid.

wij moeten ons verheugen, dat onze schepen zullen gaan varen tot redding van het door de barbaarsche bevelen van uwe militaire gezagshebbers geteisterde Frankrijk. Hoe meer zij varen des te eer zullen nieuwe vruchtboomen geplant worden in het schoone, thans door uwe opperste legerleiding in een woestijn herschapen Picardië, waar zij er al duizenden heeft laten omhakken, zonder eenige oorlogsnoodzaak. Hoe meer zij varen, des te vroeger zal het uur der bevrijding slaan voor België en Elzas-Lotheringen, voor Polen en Lithauen, voor de Lijflanders, voor de Slaven en Roemenen van het Donaurijk, voor Serven en Armeniërs of voor wat er van de arme volken zal zijn overgebleven.

Prins Willem van Oranje, de held in onzen vrijheidsoorlog, was een ernstig christen en spaarzaam met het openlijk aanroepen van het Opperwezen. Tot God richtte hij zich in het uur van zijn dood. Zijn laatste woorden waren een bede om hulp voor het volk, dat hij den zwaren weg naar de vrijheid had gewezen.

Die bede herhalen wij voor de volken thans door Duitschers en Turken, door Hongaren en Bulgaren geknecht.

U, Duitschers, wenschen wij toe, dat de schellen u van de oogen mogen vallen voor het voor goed te laat is, en de gansche wereld zal opstaan tegen de verdrukking waartoe uwe machthebbers zich opmaken. Zeer spoedig zult gij tot inkeer dienen te komen, indien gij nog iets wilt trachten te heroveren van de eer, die men u vroeger toedroeg en die gij thans verloren hebt.

Uwe leiders willen u de hegemonie in Europa verschaffen. Dat zal nooit gelukken, ondanks alle militaire overwinningen. De menschheid is te ver gevorderd, om zich opnieuw een juk te laten opleggen zooals dat, waaronder de verdragen van Brest-Litowsk de volken van Oost-Europa willen brengen.

Uwe leiders hebben u tot de nachtmerrie der beschaafde wereld verlaagd.

Bevrijd uzelven. Dit is de eenige weg om u voor een volkomen verderf te behoeden."

Het dagelijksch bestuur van den
BOND VAN NEUTRALE LANDEN.

Colofon