Het Centrum, 23 augustus 1916
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Hoe de Turken de Armeniërs behandelen

De Tribune bevat een schrijven, dat in de Berner Tagwacht van 12 Augustus voorkomt en dat afkomstig is van prof. dr. Forel, vroeger hoogleeraar te Zürich.

De heer dr. Eduard Graeter, een Zwitscher, vroeger leeraar in Aleppo (Turksch Klein-Azië) bezocht mij dezer dagen en gaf me de volgende regels om ze naar believen te gebruiken, resp. te publiceren. De medeonderteekenaar dr. Niepage, is een Duitscher.

Beiden hebben tengevolge van de toestanden daar van hun betrekking als onderwijzer van Armeensche kinderen te Aleppo afstand gedaan. Twee anderen, die het stuk mede onderteekenden, noem ik hier niet, doch van de genoemden heb ik daartoe de volmacht.

Nadat het Duitsche ministerie van Buitenlansche Zaken het stuk reeds in October 1915 had gekregen, doch het verzweeg; terwijl de onderteekenaars den moed hebben, ervoor in te staan, zou ik mijnerzijds zwijgen als een lafheid beschouwen.

Dr Eduard Graeter ken ik reeds sedert jaren als een uitnemend man, die hooge idealen najaagt en zich daarvoor opoffert. Van partij kiezen uit haat tegen Duitschland en de Duitschers, van eenige overdrijving en valsche tendenz kan dus bij hem geen sprake zijn. Bloedverwanten van dr. Ed. Graeter zijn bovendien in Basel welbekend door hun groote en opofferende werkzaamheid in de geheelonthoudersbeweging.

Elke commentaar zou het korte bericht aan het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken slechts schade doen.

Stom van ontzetting staat men tegenover zulke feiten. Gaat dan de wapenbroederschap der Duitschers en Turken zoo ver, dat hier stilzwijgen geboden schijnt? Voor de Duitsche strategie misschien wel.

Mogen ook al eenige Armeensche kooplieden hun volk in het buitenland een slechten naam bezorgd hebben – dit treft de even wakkere als arbeidzame Armenische boeren en vele anderen hunner wakkere landslieden volstrekt niet.

Het in dezen brief bedoelde schrijven begint aldus: Aleppo, 8 October 1915. Wij nemen de vrijheid met verschuldigden eerbied het volgende aan het Ministerie van Buitenlansche Zaken te berichten: Het schijnt ons onze plicht, de opmerkzaamheid van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken erop te vestigen, dat aan onzen arbeid in de school voortaan de zedelijke grondslag en de achting bij de hier woonachtige bevolking moet ontbreken, wanneer de Duitsche regeering inderdaad niet in staat zou zijn, de brutaliteit te verzachten, waarmee men hier optreedt tegen de verbannen vrouwen en kinderen van gedoode Armeniërs.

Ten overstaan van de gruweltooneelen, die zich dagelijks bij ons schoolgebouw, onder onze oogen voltrekken, is onze arbeid in de school gedaald tot een hoon op het menschelijk gevoel.

Hoe kunnen wij, onderwijzers, Sneeuwwitje en de zeven dwergen met onze Armenische kinderen lezen, hoe moeten wij vervoegen en verbuigen, wanneer op de open plaatsen tegenover en naast ons schoolgebouw de dood huishoudt onder de verhongerde stamgenooten van onze scholieren, meisjes, jongens, vrouwen, die haast naakt op de grond liggen, terwijl anderen tusschen ongelukkigen, die reeds hun lijden hebben geëindigd en tusschen reeds klaar staande doodskisten hun laatsten adem uitblazen.

Veertig tot vijftig skeletten blijven over, wanneer 2000 tot 3000 gezonde boerenvrouwen uit Boven-Armenië hierheen gedreven worden.

De mooisten worden uitgeroeid door de lusten hunner bewakers. De leelijken vallen aan stokslagen, honger, dorst ten offer, want terwijl ze aan den oever van het water liggen, laat men de verdorstende schepsels niet drinken.

Europeanen, die brood onder de hongerden wilden verdeelen, weigerde men dat. Meer dan 100 lijken van verhongerden draagt men dagelijks uit Aleppo naar buiten. En dat alles geschiedt onder oogen van hooge Turksche ambtenaren. Veertig tot vijftig skeletten liggen op een open plaats bij onze school bij elkaar. Zij zijn krankzinnig. Zij hebben verleerd te eten. Geeft men hen brood, dan leggen zij het onverschillig op zij. Zij kreunen zachtjes en wachten op den dood.

Ta-a-lim el alman (de leer der Duitschers), beweren de inboorlingen, is dat. Gruwelijke vlekken dreigen het eerschild van Duitschland te bevlekken in de toekomstige geschiedkundige herinnering der Oostersche volken. De Duitschers, zeggen de meer beschaafden onder de bewoners van Aleppo, willen deze gruwelen niet. Misschien weet het Duitsche volk er niets van. Hoe zouden wij anders bij de waarheidslievende Duitschers krantenartikelen mogelijk zijn, die van humane behandeling der Armenische hoogverraders berichten?

Colofon