Het Centrum, 19 oktober 1915
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Voor de Armeniërs

wordt in Zwitzerland door de pers een bede om hulp gepubliceerd, onderteekend door professoren, geestelijken en vele andere voorname burgers. Zij verklaren, dat, terwijl de oorlog de aandacht van de geheele wereld nu in beslag neemt, in Turkije dingen gebeuren, die zelfs in onzen, aan verschrikking gewenden tijd, vreeselijk zijn en datgene, wat vroeger gebeurd is, nog in verre overtreffen.

Het geldt niet minder dan de stelselmatige uitroeiing van een geheel Christelijk volk, van de Armeniërs, die nu op touw is gezet, omdat de volkomen heerschappij van den Islam in het Turksche rijk verwezenlijkt moet worden.

Reeds zijn honderdduizenden Armeniërs óf uitgemoord óf moeten zij, weggesleept uit hun haardsteden, in de steppen van Mesopotamië of andere streken jammerlijk omkomen. Een groot aantal, vooral vrouwen en kinderen, zijn gedwongen, den Islam te omhelzen. Deze feiten zijn vastgesteld door stellige getuigenissen en rapporten van in elk opzicht geloofwaardige personen die hun wetenschap uit eigen aanschouwing hebben.

De ondergeteekenden willen niet, alleen het Zwitsersche volk om krachtige hulp tot leniging van den nood, die onder de overlevenden van het ongelukkige Armenische volk heerscht, vragen. Zij acht zich ook verplicht, ten aanzien van de geheele wereld de aandacht te vestigen en zich tot de openbare meening van alle landen te wenden, opdat tot bescherming van de overlevende Armeniërs onverwijld wordt gedaan, wat op dit oogenblik te Konstantinopel nog gedaan kan worden.

Dat deze beschrijving niet overdreven is, blijkt uit brieven, in Duitschland van zendelingen der Deutsche Orient-Mission uit Noord-Perzië ontvangen.

De N. R. Ct. ontleent daaraan: Juist gisteren heb ik van de Duitsch-Amerikaanschen dominé Pf. een langen brief uit Oermia ontvangen. Hij schrijft dd. 22 Juli '15: "Vijftienduizend menschen hebben bescherming gevonden in de zendingsgebouwen, waar de zendelingen hen met brood verzorgden, ieder één plat brood per dag... Ziekten braken uit. Het sterftecijfer steeg tot 50 per dag. In de Christelijke dorpen doodden de Koerden bijna iederen man, dien zij levend in handen konden krijgen. Zal ik schrijven, hoe men boven aan de hoofdstraat voor de stadspoort een galg heeft opgericht en vele onschuldige Syriërs heeft opgehangen en andere, die men eerst langen tijd in de gevangenis had opgesloten, doodgeschoten werden? Ik zal van die gruwelen maar zwijgen... God heeft alles in Zijn boek geschreven... Behalve vele andere Armenische soldaten hebben ze er één hier voor de poort doodgeschoten en dicht achter het huis van mej. Friedemann begraven, maar zoo slordig, dat de handen weer uit de aarde kwamen; één hand lag geheel open. Ik heb toen een schop genomen, evenals R. en A., en we hebben een heuvel van aarde er over heen geworpen. De tuin van mej. Friedemann, het bezit van de Deutsche Orient-Mission, is door de Mohammedanen verwoest en gedeeltelijk in brand gestoken. (Een ander bericht meldt, dat ook de Duitsche kerk in Dilgoesja verwoest is)... Op het oogenblik hebben we 55 kinderen. Vanwege de grooten nood zullen we er 60 plaatsen. Verder kunnen we niet gaan."

In een anderen brief heet het: "De nieuwste tijdingen melden dat in de laatste vijf maanden bij de zendelingen 4000 Syriërs en 100 Armeniërs alleen aan ziekte gestorven zijn. Alle dorpen in den omtrek zijn geplunderd en in de asch gelegd, behalve een drietal. Twintiggduizend christenen zijn in Oermia en den omtrek neergehouwen. Vele kerken zijn verwoest en verbrand, evenals vele huizen in de stad..."

Uit weer een anderen brief het volgende: "In Haftewan en Salmast zijn alleen uit de pompbronnen en de cisternen 850 lijken gehaald en dat wel zonder hoofd. Waarom? De commandeerende officier had op ieder christenhoofd een som gelds gesteld. In Haftewan alleen zijn meer dan vijfhonderd vrouwen en meisjes aan de Koerden in Sandsjboelak gezonden. Wat het lot van deze ongelukkigen is, kan men zich voorstellen. In Diliman werden scharen van christenen in de gevangenis geworpen om den Islam aan te nemen. De mannen werden besneden. Gülparksjin, het rijkste dorp van het Oermia-gebied, is met de grond gelijk gemaakt. De mannen zijn gedood, de schoone vrouwen en meisjes weggevoerd. Evenzoo in Babaroe. In den tuin van den Roomschen zendingpost te Batalisjangöl zijn veertig Syriërs opgehangen aan de daar opgerichte galg. De kloosterzusters waren naar buiten gekomen en hadden om genade gesmeekt. Tevergeefs. In Salmast en Kossowa zijn haar stations verwoest; de zusters zijn gevlucht. Zou nu werkelijk de Duitsche regeering te dien opzichte niets bij haar bondgenoot vermogen?"

Colofon