De Amsterdammer, 27 september 1896
Bron: archief de Groene Amsterdammer

Turkije en de Mogendheden

In November van het vorige jaar heeft de Engelsche Premier, Lord Salisbury, in den Guildhall den Sultan van Turkije openlijk met afzetting gedreigd, indien de door Engeland geëischte hervormingen niet werden ingevoerd. De Sultan, en hij alleen, was volgens den Britschen staatsman verantwoordelijk voor het wanbestuur in zijn rijk. "Het is voor den Sultan zeer wel mogelijk, al zijne onderdanen rechtvaardig en in vrede te regeeren, en hij is evenmin als eenig ander potentaat onttrokken aan de wet, dat onrechtvaardigheid de hoogsten der aarde ten val brengt." Natuurlijk kwam er van de hervormingen niets. Doch toen de oppositie, bij monde van Lord Kosebery, den premier zijne werkeloosheid verweet, en aantoonde hoe door deze ijdele bedreigingen Engeland was belachelijk gemaakt en de toestand der Armeniërs was verergerd, antwoordde Lord Salisbury, dat hij niets anders had gedaan dan de politiek zijner voorgangers voortzetten!

Na de gruwelijke slachtingen, van welke Constantinopel in de laatste weken het tooneel was, is Lord Salisbury buitengewoon kalm gebleven. Zelfs "het wapen der vermaning" (lees: bedreiging), het eenige dat, volgens zijne verklaring, te zijner beschikking stond, is door hem niet meer ter hand genomen. Des te feller trad de oppositie op. Overal werden door haar protestmeetings georganiseerd, bij welke, naast eene meer of minder oprechte verontwaardiging, ook de politieke kansberekening eene niet geringe rol speelde. De oude Gladstone noemde den Sultan rondweg een moordenaar, en drukte zich den volgenden dag nog wat krasser uit, toen hij schreef: "De moordenaar (Abdoel-Hamid) en niet zijn Mohammedaansche onderdanen zijn de opzettelijke aanstokers van de Armenische bloedbaden. Die wreedheid vindt in de geschiedenis haar gelijke niet. Het Europeesche concert is een ellendige narrenboel. De wijze, waarop de mogendheden opkomen tegen het onomstootelijk bewijs, dat hier niets dan geweld kan helpen, is eene zonde tegen de zedelijkheid en eene politieke fout. Eenige souvereinen en regeeringen hebben den moordenaar rechtstreeks aangemoedigd en gesteund; reeds de aanwezigheid der gezanten te Constantinopel is eene stilzwijgende aanmoediging van dit schandelijk bedrijf."

Men ziet, dat de Engelsche staatslieden, als zij een proef van hun kracht in woorden willen afleggen, niet naar een tête de Turc behoeven te zoeken. Zoo'n hartig woordje vindt altijd bijval bij de vrienden, om het even of het komt uit den mond van Lord Salisbury of van den heer Gladstone. Maar de booze wereld, die het copieuse diner in den Guildhall niet heeft medegemaakt en die niet onder den onmiddellijken invloed is gekomen van de oratorie, welke nog steeds een der zwakheden van den Grand Old Man is, mompelt van koude drukte en vindt dat beide sprekers eene onmiskenbare verwantschap hebben met den onvergetelijken Pecksniff. Het oordeel moge oneerbiedig zijn, maar geheel onjuist is het zeker niet. Toen Gladstone aan het bewind was, heeft hij precies dezelfde methode toegepast als Salisbury. Het onderscheid tusschen de twee bestaat hoofdzakelijk hierin, dat Salisbury, met eene ironie die niet vrij is van cynisme, nog al eens met zijn eigen groote woorden den draak steekt, terwijl Gladstone, in de ontelbare wisselingen van zijn theorieën en praktijken, een zelfgenoegzaam geloof aan eigen onfeilbaarheid behoudt.

Zoolang Engeland's haan te Constantinopel koning kraaide, heeft het zich om de Armeniërs in het minst niet bekommerd. Thans heeft aan de Bosporus Rusland het hoogste woord. Die omkeering verklaart het volkomen, waarom de Sultan thans in oogen van de Engelsche staatslieden geen goed kan doen, terwijl hij vroeger in hun schatting geen kwaad kon doen.

Dezer dagen bracht de telegraaf het bericht, dat de Russische generaal Tchikatcheff, op verzoek van de Turksche regeering, de Turksche forten aan de beide oevers van de Dardanellen heeft geïnspecteerd en omtrent den toestand dier geduchte versterkingen de Porte zal dienen van bericht en raad. En bijna tegelijkertijd brengt Sir Charles Dilke, een der weinige Engelsche politici die nuchtere waarheden durven verkondigen, zijn landgenooten onder het oog, dat het forceeren der Dardanellen niet zou kunnen geschieden zonder ernstige verliezen voor de Britsche vloot, en dat het verlies van een der groote pantserschepen voor Engeland gelijk zou staan met het verlies van een geheel legercorps voor een der continentale mogendheden.

De stemming wordt nu in Engeland weer een weinig kalmer; hoewel nog steeds tegen den Sultan wordt georeerd en gepreekt, beginnen de meer of minder verantwoordelijke personen zich wat op den achtergrond te houden. Wel hoort men nog overal den eisch verkondigen, dat de sultan moet worden afgezet, maar verstandige lieden beantwoorden dien eisch met de vraag: Wie moet den sultan afzetten? In den loop van deze eeuw zijn vier Turksche sultans van den troon gestooten. Selim in 1807 door de Janitscharen, Mustapha IV in 1808 door den stadhouder van Roestchoek, Abdoel Azis in 1878, ten gevolge van den opstand der Softas, door Hoessein Avni, en Moerad V in hetzelfde jaar door zijn broeder Abdoel Hamid, den thans nog regeerenden vorst. Maar in elk van deze gevallen is die onttroning het werk van Turken zelven geweest. En met recht mag men vreezen, dat pressie van buiten, om van geweld niet eens te spreken, de geheele Muzelmansche bevolking van het Turksche rijk tegen de Christelijke bevolking in het harnas zou jagen, vooral nu in de familie van de tegenwoordigen sultan geen geschikt troonopvolger te vinden is.

Het zou belachelijk zijn, te ontkennen dat de bevolking van het Turksche rijk gebukt gaat onder een schromelijk en steeds verergerend wanbeheer, maar om die kwaal te genezen moet men het eens zijn over haren aard en over de middelen tot genezing. Wat het eerste betreft, blijkt meer en meer, dat de Armeniërs in Turkije niet worden vervolgd uit geloofshaat of rassenhaat, maar omdat zij eene politieke partij vormen, die zich in de laatste jaren met de zoogenoemde Jong-Turksche heeft verbonden. En wat het tweede betreft: aan een eenstemmig optreden der groote mogendheden valt niet te denken, en zonder die eenstemmigheid zou een ingrijpen in de binnenlandsche toestanden van het Turksche rijk niet slechts voor Turkije, maar voor geheel Europa de jammerlijkste gevolgen kunnen hebben.

Welmeenende en eerlijke Turksche patriotten erkennen volkomen, dat hun land in een bedroevenden toestand verkeert, maar zij wijzen er tevens op, dat die toestand door de allesbehalve belangelooze inmenging van het buitenland niet verbeterd, maar slechts verergerd kan worden. Wanneer Constantinopel een broeinest van intriges is, wanneer daar voortdurend de hartstochten worden geprikkeld en de partijen tegen elkaar worden opgehitst, dan is dit voor een goed deel het werk van in troebel water visschende diplomaten. De Zieke Man zou wellicht een kansje hebben op genezing, of, zoo die niet mogelijk was, tenminste op een rustigen dood, als zijn talrijke dokters eens een paar jaar vakantie namen.

Colofon