De Amsterdammer, 20 maart 1898
Bron: archief de Groene Amsterdammer

De gruwelen in Armenië

Deel 2

Wie is Abdul-Hamid? Zes jaren geleden is er in Parijs bij Calmann Lévy een boek in 't licht verschenen van Demetrius Georgiades, getiteld: La Turquie actuelle. Onder de lectuur van Lepsius' aanklacht kwam mij dat werk steeds weder voor den geest. Daargelaten de zichtbare strekking van dat boek dat geheel met het oog op de Fransche belangen in het Oosten was geschreven en dat Frankrijk waarschuwt tegen den steeds aanwassenden invloed van Duitschland in Turkije, is het beeld, dat Georgiades, van de regeering en het karakter van den Sultan geeft, geheel overeenkomstig met hetgeen thans zonneklaar uit de Armenische gebeurtenissen voor ieder aangaande het hoofd van Turkije is gebleken.

"Waaraan behoefte in Turkije bestaat, zegt deze d.i. aan het stellen van een grens aan de absolute macht zonder eenige controle, die tegenwoordig in het paleis van Yildiz-Kiosk is gecentraliseerd, onder eenige hovelingen en booze raadslieden, die stelselmatig hun meester bedriegen en, om zijn geest te beheerschen, zijn wantrouwen en ongegronde vreesachtigheid door het verhaal van allerlei complotten, die alleen in de verbeelding bestaan, voortdurend opwekken. De regeeringsvorm is in Turkije, waar de staat de Sultan is, het onverdragelijkst despotisme, dat met een absoluut recht over het leven, het geld en alle burgervrijheid, eenvoudig berust op macht en willekeur". En elders (p. 117) "Ongelukkig verbergt zich de persoonlijke eerzucht van Z.M. den Sultan Abdul Hamid, onder den vorm van een te vervullen godsdienstplicht; hij jaagt den reusachtigen droom na, om onder zijn bestuur een groote panislamitische ligue te stichten, waarbij hij zich op den titel van kalif beroept, waaraan hij zich verbeeldt al zijn gezag te kunnen ontleenen. Die gedachte beheerscht en bestuurt zijn geheele gedrag; daaraan verbindt hij de hoop, om zijn rijk weer te doen bloeien, en zelfs de wreedste ontgoochelingen hebben hem van den waan niet kunnen genezen. Beheerscht door zijn godsdienstige eerzucht, is hij in staat, de noodzakelijkste belangen van het land op te offeren aan de herstelling van het theocratisch en barbaarsch karakter van het kalifaat. Geen enkel zijner onmiddellijke voorgangers, noch sultan Mahmoed, noch Medjid, noch Aziz, noch zijn rampzalige broeder Noerad (door hem van den troon geworpen en als krankzinnigen opgesloten) heeft, hoe ook zij prijs stelden op hun godsdienst, van dat denkbeeld het middelpunt en het eenige richtsnoer van zijn politiek gemaakt".

Tot dusver Georgiades in het jaar 1892 over Sultan Abdul-Hamid. Met dat karakter stemt volkomen overeen de houding door dezen aangenomen in de Armenische gebeurtenissen. Na den Russisch-Turksche oorlog van 1878 werd eerst door Rusland bij het verdrag van St. Stefano, daarna door al de mogendheden bij het tractaat van Berlijn, Turkije verplicht tot de invoering van hervormingen in Armenië en de bescherming van de Christenen aldaar. Artikel 61 van dat tractaat luidde aldus: "De Verheven Porte neemt de verplichting op zich, zonder verder uitstel de door plaatselijke behoeften in de door Armeniërs bewoonde provinciën geëischte verbeteringen en hervormingen in te voeren en den Armeniërs veiligheid tegen over Kurden en Tscherkessen te waarborgen. Van de in deze richting gedane stappen zal zij in bepaalde termijnen kennis geven aan de mogendheden, die op de in-werkingtreding er van een wakend oog zullen houden". Zegt niet Lepsius terecht: "Als zes groote mogendheden met onschendbare verdragen instaan voor het geluk van een in slavernij verkeerend volk, zou men bijna gaan gelooven, dat zelfs de Hemel zijn hulpelooze schepselen geen betere bescherming zou kunnen waarborgen en veilig den vertegenwoordigers van zijn rechterlijke macht op aarde de handhaving zijner gerechtigheid zou kunnen overlaten". Doch wij voegen er bij, indien het niet te profaan klinkt, dan zou, in dat geval de Hemel, noch op de ontrouw dier beschermende mogendheden, noch op den fanatieken geest van den Sultan en zijn regeering hebben gerekend. Want slechts eenmaal in het jaar 1881 deden de mogendheden een ernstigen stap, om de beloften tegenover het Armenische volk tot waarheid te maken. Daarna tot Augustus 1894 deden ze niets meer. Toen had het vreeselijk bloedbad te Sassun plaats, dat hen op onaangename wijs aan Armenië herinnerde. – Wat was het bloedbad te Sassun? Dat was niet anders, dan een hoorbare knal van het werktuig, dat in het paleis van den Sultan was uitgedacht, om Armenië door het willekeurigst systeem van wanbestuur te hervormen, d.w.z. te vernietigen. Wie het artikel kent van Dillon in de Contemporary Review van Aug, 1895: "The condition of Armenia", die weet, hoe vreeselijk de wandaden van Turksche Ambtenaren, officieren, rechters, belasting- en politie-beambten tegenover de Armeniërs waren; de knevelarijen van allerlei aard hadden dat bloedbad ten gevolge. Dat bloedbad wierp zulk een schril licht op de vernietigingspolitiek van de Porte in Armenië, dat Engeland, door de publieke opinie wakker geschud, zich met Turkije en Rusland weder de zaak aantrok en aan de Porte een hervormingsplan van Armenië voorlegde, dat zich over de 6 provinciën, waarin later de gruwelen plaats hadden, moest uitstrekken en dat bedoelde, ingrijpende verandering van het algemeen bestuur, de rechtspleging, de politie, het gevangenis en belastingwezen, en krachtige maatregelen eischte tegen de rooftochten der Kurden. De Porte zat met dit plan geheel verlegen, want het eischte een burgerlijke gelijkstelling in rechten van de Christenen en de Mohamedanen, een eisch, dien de mahomedaansche godsdienst nooit mag toestaan. Doch de Sultan werd geprest. Hij werd genoodzaakt het te teekenen. Maar die onderteekening is de nekslag voor Armenië. Want de Sultan was in gramschap ontstoken, omdat hij gedwongen was tot een daad, die in strijd was met zijn fanatiek geloof. Nog wist de politiek van de Porte raad. Er moest voor gezorgd worden dat het den schijn kreeg, alsof de Armeniërs zich in revolutionaire, oproerige bewegingen staken. Dit werd nu de taktiek in de genoemde gewesten en zelfs later in 1896 in Constantinopel. Voor die gewaande revolutie moesten de Armeniërs worden uitgeroeid. Een blik in de reeds aangehaalde nota over de gebeurtenissen kan ieder overtuigen, dat op de meeste plaatsen de overheid valschelijk voorgaf, dat de Armeniërs zelven aanleiding tot de moorden en de plunderingen gaven. En dat werd met zooveel duivelsche slimheid overlegd, met zooveel schijn van waarheid, ook ten opzichte tot den aanval op de Ottomaansche Bank in Constantinopel rondgebazuind, dat tot heden toe de meening in Europa de meest gangbare is, dat de Armeniërs zelven hun lot zich op den hals hebben gehaald. Het boek van Lepsius ligt voor ons, om den grooten leugen voor elk, die onbevooroordeeld wil lezen, klaarder dan de dag te maken.

Meersen, Dr. D. C. NIJHOFF.

Colofon