De Amsterdammer, 20 januari 1917
Bron: archief de Groene Amsterdammer

De gruwelen in Armenië

Het antwoord van de Entente op Wilson's nota zal menigeen een gat in de lucht hebben doen slaan: zijn we op de vischmarkt of in de raadszaal der groote mogendheden? Op de vischmarkt wordt gescholden – dit gebeurt niet in het antwoord der Entente, ten minste niet in meerdere mate dan pleegt te geschieden in diplomatieke stukken, waarin de oorlogvoerende partijen terloops hare meening te kennen geven over de daden der tegenstanders; maar een vischvrouw heeft ook den naam van te overvragen, en aan deze reputatie zal zij het te danken hebben gehad, indien haar beeltenis, nog eerder dan die van een ambtenaar van het Openbaar Ministerie, kwam oprijzen voor het oog der lezers van het antwoord der Entente.

In Nederland schijnt verbazing over de veeleischendheid der geallieerden wel de voornaamste uitwerking der bedoelde lectuur te zijn geweest. Maar of dit ook het geval is geweest in de landen, die oorlog voeren met de Entente? En of ook ten onzent, toen men van de eerste verbazing bekomen was, niet een andere indruk is achtergebleven dan deze, dat het den regeeringen der Entente-mogendheden in het hoofd was geslagen?

Wie staatslieden als Lloyd George en Briand niet voor krankzinnig houdt, kan uit het antwoord der Entente ook deze conclusie hebben getrokken: dat zij daarom zulke hooge eischen stellen, omdat zij overtuigd zijn een groot deel van die eischen te kunnen verwezenlijken, hetzij door een overwinning met de wapenen, hetzij als een gevolg van de blokkade. Wie hen niet in staat acht tot de dwaasheid, een oorlogsdoel te verkondigen, dat zij zelf voor geheel onbereikbaar houden, zal misschien gaan twijfelen aan de juistheid van het gangbare oordeel, dat deze oorlog zal eindigen zonder dat er een overwinnende en een overwonnen partij is. Het zal den meesten nog moeite kosten, te gelooven aan een beslissing door de wapenen; maar dat de centrale mogendheden door den bitteren nood, door gebrek aan levensmiddelen zich overwonnen moeten geven, met die mogelijkheid is reeds lang rekening gehouden en de waarschijnlijkheid daarvan zal voor menigeen verhoogd zijn, nu de Entente een oorlogsdoel heeft genoemd, dat alleen met de wapenen, en zonder economischen dwang, slechts door een jarenlang voortgezetten oorlog zou zijn te benaderen.

Het door de Entente opgemaakte programma van vredesvoorwaarden bevat zooveel, dat men bijna in de verzoeking zou komen, te vragen, of het thans levende geslacht alle quaesties in Europa moet oplossen en niets meer te doen mag overlaten aan de nakomelingschap. "Reorganisatie van Europa, gewaarborgd door een duurzame regeling, op den grondslag van het nationaliteitsbeginsel en van het recht, dat alle volken, groot en klein, hebben op volkomen zekerheid van vrije economische ontwikkeling, en tevens op den grondslag van territoriale overeenkomsten en internationale schikkingen, waardoor de land- en zeegrenzen tegen onrechtmatige aanvallen worden verzekerd" – ziedaar alleen reeds een taak, waaraan meer dan één generatie zal kunnen voortsplnnen; ziedaar tevens een voorbeeld van formuleering der vredesvoorwaarden, waarmede eerst dan misschien instemming zal kunnen worden betuigd, wanneer nader rekenschap van de bedoeling van sommige termen is gegeven: waarom worden, als de grondslagen van de duurzame regeling, die de reorganisatie van Europa zal waarborgen, behalve de verwezenlijking van het nationaliteitsbeginsel en behalve de zekerheid van vrije economische ontwikkeling ook nog "territoriale overeenkomsten en internationale schikkingen" genoemd, die land- en zeegrenzen tegen onrechtmatige aanvallen zullen beveiligen ? Is dit soms een naam voor annexaties, die met de verwezenlijking van het nationaliteitsbeginsel in strijd komen?

Maar op het programma der vredesvoorwaarden staat – behalve het herstel van België, Servië en Montenegro, met de hun toekomende schadeloosstelling, en behalve de ontruiming van de bezette gebieden in Frankrijk, Rusland en Roemenië, met gepaste vergoeding – nog één eisch, waarvan ik de verwezenlijking niet aan een toekomstig, maar aan het thans levende geslacht zou willen opdragen: "bevrijding van de volken, die nu onder de moorddadige tyrannie der Turken zuchten".

Indien iemand mocht meenen, dat het woord "moorddadige tyrannie" weer teveel naar de vischmarkt riekt, dan vraag ik zijne aandacht voor de behandeling, die de Armeniërs tijdens dezen oorlog van de Turken hebben ondervonden.

Anderhalf jaar geleden, toen er nog weinig was uitgelekt van de gruwelen, die aan de Armeniërs zijn gepleegd, kreeg ik een brief ter lezing, geschreven door iemand, die geruimen tijd in Turkije heeft vertoefd en door het ambt, dat hij bekleedde, bij uitstek goed bekend was met de aangelegenheden der Armeniërs: iemand, die Duitschgezind is en wiens oordeel over de Turken dus niet partijdig is geworden wegens hun bond genootschap met de Duitschers.

In Vragen des Tijds van November 1915 deelde ik uit dien brief de volgende passage mede: "De Armeniërs hebben de tusschenkomst, van welke macht ook, meer noodig dan ooit. De vroegere moordpartijen (in 1894- 1896) waren vreeselijk en in Europa weten slechts enkele kringen, wat er toen gebeurd is; maar de stelselmatige wijze, waarop de Jong-Turken thans de Armeniërs gevangen nemen en hen overal, ook in Konstantinopel, den dood tegemoet zenden, overtreft alles wat op dit punt is gebeurd. De dwaze politiek der Jong-Turken zal de Armenische kwestie na den oorlog weer doen opleven – indien er dan ten minste nog Armeniërs zijn."

Dit bericht is sedert bevestigd door andere geloofwaardige mededeelingen. In "Sonnenaufgang," het orgaan van een Duitsche vereeniging voor Christelijk liefdewerk in het Oosten, van October 1915, en in de "Allgemeine Missions-Zeitschrift" van November 1915 werd een verhaal opgenomen, door een Duitsche liefdezuster gedaan van het rampzalige lot der Armeniërs o.a. in de vilayets van Diarbekr; 674 menschen werden daar ingescheept op schuiten, onder voorwendsel dat zij naar Mosoel zouden worden gebracht; nadat zij beroofd waren van hun kleeren en hun geld, werden zij in de Tigris geworpen. Op last van den Duitschen censor moest de verdere publicatie van dit verhaal worden gestaakt; aan de couranten werd verboden, het reeds afgedrukte artikel over te nemen; de oplaag van het tijdschrift, waarin het artikel was verschenen, werd zooveel mogelijk opgehaald; enkele exemplaren zijn toch naar het buitenland gekomen.

Een zoo goed als volledig verhaal van de "moorddadige tyrannie", waaraan de Armeniërs hebben blootgestaan, kon men thans lezen in een onlangs, op last der Engelsche regeering, uitgegeven boekdeel "The treatment of Armenians in the Ottoman Empire, 1915-1916" (Miscellaneous No. 31, 1916).

In dat boek van ruim 700 bladz. zijn een groot aantal verklaringen opgenomen, afgelegd door Armeniërs, die zelf het slachtoffer waren van de Turksche gruwelen en wier getuigenis men dus als partijdig of te sterk gekleurd zou kunnen beschouwen; maar hunne getuigenis wordt bekrachtigd door een niet minder groot aantal verklaringen van Amerikanen, Denen, Zwitsers, ook van Duitschers, die als onderwijzers of als missionarissen in de geteisterde streken vertoefden; door toedoen van "The American committee for Armenian and Syrian relief" zijn vele van deze getuigenissen verzameld.

Het is een droevig verhaal van het wegvoeren der Armeniërs uit hunne woonplaatsen; de mannen tusschen 18 en 50 jaar waren grootendeels gemobiliseerd en streden mede in de Turksche legers; aan de overigen werd aangekondigd, dat zij naar ver afgelegen streken van het Turksche rijk zouden worden gebracht, maar op weg daar heenvonden bijna allen den dood ; de vrouwen en meisjes werden door de Koerden, die meestal tot escorte dienden, onteerd; duizenden kwamen om tengevolge van ontbering. Het eenig middel, waardoor een vrouw deportatie kon ontgaan, was dat zij zich bekeerde tot den Islam en met een Turk trouwde. Volgens de meest gematigde schatting bedraagt het aantal mannen, vrouwen en kinderen, die het leven verloren, eenige honderdduizenden.

Met deze redenen trachtten de Turken het uitroeien van een groot deel der Armeniërs te rechtvaardigen: zij beschuldigden hen er van, dat zij de wapenen hadden opgevat en aan de zijde der Russen medestreden; dat zij een groote samenzwering hadden gesmeed om den vijand der Turken binnen te halen; en ten slotte heet de vervolging der Armeniërs een wraakneming hiervoor, dat, (in Rusland wonende) Armeniërs als vrijwilligers dienst hadden genomen bij het Russische leger.

Op m.i. goede gronden wordt in het boek, dat ik noemde, aangetoond, dat de eerste en de tweede beschuldiging slechts een klein aantal Armeniërs kan treffen. Maar – laat het waar zijn, dat de meeste Armenische mannen vijandelijkheden tegen de Turken hebben gepleegd of beraamd, dan nog blijft op de Turken de schuld drukken, dat zij duizenden en nog eens duizenden vrouwen en kinderen in den dood hebben gejaagd en een groot aantal tot schandelijke slavernij hebben gebracht. 'En de tegen de Armeniërs begane misdrijven waren niet de uiting van het fanatisme der Turksche bevolking, maar zij zijn in koelen bloede beraamd door de Jong-Turksche regeering en op haar last gepleegd. Een regeering, die zulk een "moorddadige tyrannie" uitoefent, moet hoe eer hoe beter worden weggejaagd.

Voor mij maakt het geen onderscheid, of de Armeniërs Christenen zijn of niet; maar er zijn misschien een aantal Christelijke Nederlanders, die ook hierom door het lijden der Ameniërs zullen worden getroffen, om dat het Christenen zijn. Vermoedelijk uit onbekendheid met wat er gebeurd is, heeft de Christelijke pers in Nederland tot dusverre hare stem niet verheven om de Turksche regeering van "moorddadige tyrannie" te beschuldigen. Zij heeft thans de gelegenheid om zich een oordeel te vormen over de jongste Christen- vervolging; voor twee shillings kan zij zich een exemplaar verschaffen van "The treatment of Armenians in the Ottoman Empire." (Fisher Unwin, London, 1916.)

17 Jan. 1917, G. W. KERNKAMP

Colofon