De Amsterdammer, 13 maart 1898
Bron: archief de Groene Amsterdammer

De gruwelen in Armenië

LEPSIUS. Armenië en Europa,
Een schriftelijke aanklacht.
Uit het Duitsch door P.J.C.
Rotterdam, D.A. Daamen

Deel 1

De uitgever Daamen te Rotterdam heeft een zeer goed werk verricht, door eene vertaling in het licht te geven van Lepsius' belangrijk boek over Armenië. Want ook in Nederland is evenmin als in Duitschland genoegzaam opgewekt de belangstelling en deelneming in de vreeselijke gebeurtenissen, die in het Voor-Oosten gedurende de laatste 2½ jaar hebben plaatsgehad. Lepsius' boek is een aanklacht, een aanklacht bovenal tegen Duitschland, dat, op het dwaalspoor geleid door de hooge politiek en door de houding der pers, voor een der grootste christenvervolgingen, die ooit hebben plaats gehad, nagenoeg blind en doof is gebleven. Het is te hopen, dat zijn vlammend woord in alle talen van Europa worde overgezet, de gewetens wakker schudde en daardoor medewerke om nog ter elfder ure te behouden, wat te behouden is. Gaarne voldoen wij aan den wensch des uitgevers, om de aandacht van het Nederlandsch publiek op dit werk te vestigen.

Of is het geen bewijs van de ontzettende verzwakking der publieke meening, dat er betrekkelijk zoo weinig aandacht geschonken is aan den gruwelijken moord van 100.000 Armenische Christenen; terwijl de misschien hoogst onrechtvaardige straf van één Fransch officier, Frankrijk, ja geheel Europa in spanning houdt en de moord van twee Duitsche zendelingen in China zooveel beweging geeft in de Europeesche kabinetten. Wij willen het gewicht der Dreyfus-zaak, noch der Chineesche kwestie verkleinen. Doch moeten daarom de Armenische gruwelen, waarvan honderdduizenden reeds het slachtoffer zijn geworden en die op den ondergang van een geheel volk van meer dan een millioen kunnen uitloopen, moeten die worden verzwegen, ter wille van zoogenaamd hoogere politieke bedoelingen? Het schijnt wel, alsof in het eind der 19e eeuw de geest van sympathie in Europa door tal van sofistische redeneeringen geheel is vernietigd. In 1822 werden 23000 Grieken door den Turk ter dood gebracht, maar geheel Europa greep naar het zwaard om dien moord te wreken en de vestiging van het zelfstandig Griekenland werd daardoor bereikt. In 1860 vielen bij den moord in den Libanon 6000 Christenen; maar de Fransche expeditie had de autonomie van het Libanon-district ten gevolge. En toen de Bulgaarsche gruwelen plaats hadden, waartegen de "Grand old man" zijn machtige, welsprekende stem verhief; toen er 25000 Bulgaren werden vermoord; toen leidde dit immers in 1878 tot den Russisch-Turkschen oorlog, die de vrijmaking van de Balkan-volken tot resultaat had. En thans nu er in Armenië 100000 weerlooze Christenen zijn vermoord, meer dan 100000 door dwang tot den Islam bekeerd en 500000 thans nog aan den hongerdood zijn prijs gegeven; nu wekt de ééne gevangene op het Duivelseiland meer sympathie dan dat, gansche volk. Het komt mij voor, dat daar toch iets zeer ziekelijks in te ontdekken is. Voor de slechts twijfelachtige onschuld van één Fransch officier is het geweten van gansch Europa in rep en roer – voor de zekerheid van den moord op honderdduizenden Armenische Christenen in Azië gepleegd, blijft datzelfde geweten gesloten.

Of zou dit laatste soms geen zekerheid zijn? Zijn de Armenische moorden slechts overdreven dagbladberichten geweest en moeten soms de Armeniërs zelven aansprakelijk gesteld worden voor den gruwelen tegen hen bedreven? Het boek van Lepsius ligt voor ons en dat boek, uit eigen aanschouwing is op grond van officieele nota's samengesteld, heft elken twijfel aan de waarheid der feiten op. In 1890 reisde de schrijver persoonlijk door Anatolië en Syrië en door twee provinciën, die geteisterd waren en in die geheele streek had hij geen enkelen Mohamedaan ontmoet, die niet uit ging van de vaste veronderstelling, dat het vermoorden en plunderen van het Armenisch volk enkel geschied was op bevel van de regeering, overeenkomstig den wil van den Sultan. Van dat oogenblik af had de schrijver geen rust voordat hij alles wat hij zelf aanschouwd had, had getoetst aan de mededeelingen van ooggetuigen, aan de consulaire rapporten uit de Engelsche Blauwboeken en vooral aan de nota van de gezanten der 6 mogendheden die op den 4e Februari 1890 aan den Sultan werd overhandigd en die eveneens in het Engelsche Blauwboek is opgenomen en daar te vinden is onder Turkije No. 2 Febr. 1896 bl. 298-338.

Die nota is ook in de Nederlandsche vertaling van Lepsius boek onder Bijlage V afgedrukt. Men vindt ze van bl. 233-207; en die 34 bladzijden spreken voor boekdeelen. Die nota alleen had kunnen strekken, om de openbare meening voor te lichten omtrent het ontstaan en het karakter der bloedbaden in Armenië; doch ze is moedwillig over het hoofd gezien; de Duitsche pers heeft er nagenoeg geen notitie van genomen. In die nota worden eenvoudig medegedeeld de gruwzame feiten, natuurlijk, gelijk de taal der diplomaten vordert, zonder eenige kleur of strekking. Onder verschillende rubrieken worden de gebeurtenissen in 1895 in klein Azië doodeenvoudig opgesomd. Die rubrieken bestaan uit opgaven van de plaatsen, de data, het aantal dooden, het aantal gewonden, het rapport omtrent de gebeurtenissen, haar oorzaken en de houding der autoriteit en der bevolking. – Wie het boek van Lepsius ter hand neemt, beginne eens met de lectuur van die Nota: dan zal hij ontdekken, dat de schrijver niets te veel in zijn uiteenzetting gezegd heeft; dat die nota slechts de onopgesmukte bron is van zijn getrouw maar vreeselijk verhaal, een verhaal zooals het zelf noemt, slechts voor sterke zenuwen geschreven. Duizenden en duizenden dooden worden daar uit de villajets Trapezunt, Erzerum, Bitlis, Wan, Namuret-Ui-Aziz, Diarbekir, Sivas, Aleppo, Adana, Angora Ismidt uit de maanden Oct.-Dec. 1895 enkel opgesomd; terwijl allerlei bijzonderheden omtrent de oorzaken daarvan in de andere rubrieken worden vermeld, Lepsius heeft niets anders gedaan, dan op de gruwzame feiten en de omstandigheden, waaronder die geschiedden, het ware licht doen vallen. De afschuwelijke martelingen en moorden, plunderingen en onteeringen, ontvoeringen en bekeeringen tot den Islam worden niet anders dan naar waarheid verhaald. De organisatie der bloedbaden door de burgerlijke en militaire autoriteit wordt zoo duidelijk mogelijk blootgelegd; en de vraag: wie is de schuldige, als ook die voor de verantwoordelijkheid der mogendheden met groote nauwgezetheid beantwoord. Uit een en ander blijkt voor ieder, die de zaak wil onderzoeken, dat de hoofdschuldige in deze vreeselijke gebeurtenissen geen ander is dan de Sultan van Turkije zelf, die medegesleept door zijn fanatisme, geen anderen uitweg voor de door hem beloofde hervormingen in Armenië geweten heeft, dan met één slag door zulk een moord en vernietiging op groote schaal van het geheele Armenisch volk, die hervormingen zelf onmogelijk te maken.

Meersen, Dr. D. C. NIJHOFF.

Colofon