Algemeen Handelsblad, 8 juni 1940
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Lot der Armeensche christenen

De emigranten uit Sandsjak en Alexandrette nu elders deels aan het werk gezet

VOOR IRRIGATIE EN LANDBOUW

Met weet, dat de Armeensche christenen, het volk dat altijd telkens door nieuwe ellenden geteisterd is, ook van het uitbreken van den oorlog het slachtoffer zijn geworden: het bondgenootschap van Frankrijk en Engeland met Turkije heeft in het najaar er toe geleid, dat vele duizenden Armeniërs uit Sandsjak en Alexandrette, de Syrische gebieden, die Frankrijk aan Turkije hadden afgestaan, moesten vertrekken.

In October hebben wij nog uit een stuk van mej. Cato de Witte te Utrecht, secretaresse van de Morgenland-Zending, mededeelingen daarover gedaan: reeds in Juni 1939, juist een jaar geleden, toen mej. De Witte de genoemde streken bereisde, was de stemming onder de Armeniërs er zeer gedrukt, omdat het leven hun daar moeilijk werd gemaakt, en eenige maanden later hebben zij geheel moeten vluchten, naar Aleppo, Beiroet, (in den vrijen staat Libanon), Tyrus, Lastaquie (het oude Laodicea uit den bijbel!) enz. Ook in hun nieuwe woonplaatsen zijn veel ontberingen geleden.

Gemeld wordt thans, dat een deel van deze vluchtelingen in Tyrus en omgeving te werk zijn gesteld aan de kanaliseering en verdere ontwatering van dit gebied, mede ter bestrijding van de malaria. De 6000 Armeniërs uit de dorpen van Musa Sagh zijn naar de groote vlakte tusschen den Libanon en den Anti-Libanon overgebracht. Daar, aan den grooten weg tusschen Beiroet en Damascus, is aan ieder Armeensch vluchtelinggezin 2½ morgen land voor hun onderhoud toegewezen. Deze streek is zeer vruchtbaar en zal nu door deze vluchtelingen, voor wie ongeveer 1000 huizen noodig zijn, geheel in cultuur gebracht worden. De Armeensche christenen zijn om hun toewijding en uithoudingsvermogen bekend – eigenschappen, zonder welke zij hun vaak zoo zwaar beproefde geloofstrouw zeker niet hadden kunnen handhaven.

Colofon