Algemeen Handelsblad, 6 juni 1889
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De onlusten in Armenië

VARNA, 31 Mei. (Part. corr.)

In den laatsten tijd zijn in Europa opnieuw berichten omtrent moord en misdaad uit Armenië ontvangen. In het Britsche Hoogerhuis is daarover zelfs eene interpellatie gericht tot lord Salisbury, die intusschen antwoordde, dat de Turksche gezant te Londen met dit alles onbekend was.

Het agentschap Havas heeft alle berichten van wreedheden, in Armenië begaan, tegengesproken en de telegrammen, uit Konstantinopel aan de Engelsche bladen gericht, melden, dat indien al geen recht gedaan was dit toch weldra zou geschieden en dat de voornaamste aanstoker voor zijne wandaden zou boeten. Intusschen is de waarheid dezer voorstelling van zaken op zijn minst zeer onwaarschijnlijk.

Van alle Christenen, die aan de opperheerschappij der Turken zijn onderworpen, zijn de Armeniërs zonder twijfel het meest te beklagen. Inderdaad staan zij, van het westen door taal, kerkelijke leerstukken, zeden, de afgelegen plaats van het land, gescheiden, om zoo te zeggen, in geen betrekking tot de christenheid en hebben zij niemand, die hunne zaak kan voorstaan.

Op het congres van Berlijn heette het, dat de Europeesche diplomatie hen wilde helpen. In dit internationale meesterwerk laschte men het bekende artikel 61, dat Armenië een groot aantal hervormingen beloofde. De Turken hebben als naar gewoonte met de bepalingen van dit artikel zoo goed als geen rekening gehouden. Integendeel hebben zij de knevelarijen slechts vermeerderd, den ongelukkigen "raya's" aangedaan, die de stem tegen hunne meesters, de Kurdische Bey's, de Turksche ambtenaren, uitgeweken Tcherkessen en anderen, die als 't ware wedijverden in het beleedigen en kwellen der Armeniërs, durfden verheffen.

In de vorige maand is door de Armeniërs van de stad Mousch en omstreken eene deputatie naar Konstantinopel gezonden, die den groot-vizier een verzoekschrift met tallooze handteekeningen heeft overhandigd, waarin geklaagd werd over de wandaden van zekeren Moussa Bey, die het geheele gewest met schrik vervulden. De toestand was, zeiden de onderteenaars, ondragelijk en zou hen noodzaken naar Rusland de wijk te nemen, indien Moussa Bey voortging, de streek onveilig te maken. Een afschrift van deze petitie werd door de deputatie aan alle gezanten te Konstantinopel ter hand gesteld.

Het agentschap Havas heeft den inhoud van dit verzoekschrift in twijfel getrokken en behandelde het incident-Moussa Bey als een voorval van geen beteekenis of gevolgen. Terzelfdertijd betoogde de Turksche regeering bij hoog en laag tegenover de gezanten, dat een gewone rooversdaad door politieke kuipers als een staatkundige gebeurtenis was voorgesteld. Ten bewijze daarvan haalde zij het getuigenis aan van den Armenisch katholieken bisschop Azarian.

Van de 2,525,525 Armeniërs, die op Turksch gebied wonen, zijn omstreeks 70,000 Katholieken en 15 tot 18,000 Protestanten, terwijl het overige deel tot de Gregoriaansche kerk behoort. Mgr. Azarian heeft partij getrokken voor de Turken en tegen zijne Gregoriaansche landgenooten. Ook heeft deze prelaat, toen de deputatie van Mousch te Konstantinopel aankwam, der geestelijke overheid van Mousch telegraphisch aangezegd, de tegen Moussa Bey ingestelde klachten voor ongegrond te verklaren. Tot dusver wacht mgr. Azarian tevergeefs op antwoord.

Moussa Bey is een wreedaard, maar men zou verkeerd doen, hem voor een gewoon misdadiger te houden. Hij is integendeel een groot heer, die slechts meent gebruik te maken van zijn recht als Bey Beyzadé of gentleman bij de genade van Allah. Als bloedverwant van Bahri pacha, mutessarif van Scutari, bondgenoot van den president der rechtbank van Mousch, vriend van den gouverneur en ondersteund door alle Kurdische Bey's, en door de familie van Beder Khan – die 35 jaar geleden vergeefs trachtte zich tot koning van Kurdistan te doen uitroepen – is Moussa Bey de feitelijke beheerscher van het Sandjak (district) Mousch.

De Engelsche bladen hebben gemeld, dat Moussa gevangen genomen en naar Konstantinopel vervoerd was; doch dit bericht is geheel ongegrond. Eerst op 25 Mei is de overheid van Mousch telegraphisch gelast aan Moussa Bey te beduiden, dat hij naar Konstantinopel geroepen is om ophelderingen over zijn gedrag te geven. Het Kurdisch opperhoofd zal dus volkomen vrij zijne eerbewijzen aan den Sultan komen aanbieden en men kan er op rekenen, dat hij niet als beschuldigde maar als aanklager voor den beheerscher van het Turksche rijk zal staan.

Reeds hebben een aantal personen, die hem durfden beschuldigen, hunne stoutmoedigheid met het leven moeten betalen, en de bloedige terechtstellingen van den jongsten tijd zullen allen onderdrukten het zwijgen opleggen. Bovendien zullen tijdens Moussa's afwezigheid zijne aanhangers, die den beruchten bandieten der middeleeuwen in wreedheid niets toegeven de gruweldaden van hun aanvoerder voortzetten. Het onderzoek, dat voor het meerendeel aan Moussa's vrienden is opgedragen, zal dus waarschijnlijk op niets uitloopen.

Op bet allerergste zal Moussa Bey, indien de bewijzen te overtuigend zijn, naar Scutari of Salonika verbannen worden en naar een jaar naar Mousch terugkeeren om zijn afschuwelijk bedrijf weer op te vatten, evenals dit het geval was met de Kurdische hoofden, die tien jaren geleden door Medin pacha verbannen werden.

Colofon