Algemeen Handelsblad, 31 juli 1919
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Het stervende Armenië

Onder dezen titel hebben we eenige jaren geleden (1 Juni 1917) de aandacht gevestigd op de vreeselijke gruwelen, die op bevel van de machthebbers van het Turksche comité voor Eenheid en Vooruitgang in Armenië plaats hadden. Wij deden dat voor een deel op grond van Duitsche gegevens, die echter toentertijd, ten einde den Turkschen bondgenoot niet te ontstemmen in de Duitsche pers werden onderdrukt. Dr. Joh. Lepsius, die in 1915 een "Bericht über die Lage des Armenischen Volks" uitgaf, heeft nu, in opdracht van het departement van buitenlandsche zaken de diplomatieke documenten gepubliceerd, die op de gebeurtenissen in Armenië en de rol van Duitschland in dezen betrekking hebben.

In het "Berl. Tagebl." vestigt Theodore Wolff de aandacht op dit werk van dr. Lepsius. Hij herinnert allereerst aan de vreeselijke gebeurtenissen, die wij indertijd reeds hebben beschreven. Aan de deportatie van het Armeensche volk op groote schaal, aan de uitdrijving der Armeniërs naar de concentratiekampen aan den rand van de woestijn in Mesopotamië, een deportatie waarbij duizenden en nog eens duizenden omkwamen.

En dan schrijft Wolff verder:

"De Ententepers heeft beweerd, dat Duitschland deze ontzaglijke misdaad heeft bevorderd, dat Duitsche ambtenaren zelfs tot deze schurkachtigheden hadden aangespoord. Onlangs is gemeld, dat generaal Liman v. Sanders voor rechters der Entente zou terechtstaan, omdat hij medeplichtig was aan de verdelging der Armeniërs. Lepsius toont in elk bijzonder geval de onwaarheid van deze beschuldigingen aan. Juist zij, tegen wie de schandelijkste beschuldigingen zijn ingebracht, hebben onvermoeid en onverschrokken alles gedaan wat menschelijke plicht hun gebood."

Lepsius deelt mede, dat de berichten der Duitsche consuls felle aanklachten waren en beden om hulp tegen de moordenaars, dat Liman v. Sanders den vali van Smyrna dwong een bevel tot massa-arrestatie in te trekken en dat v.d. Goltz uit Mossoel telegraphisch zijn ontslag eischte, omdat ook daar de Armeniërs zouden worden gedeporteerd. De Duitsche ambassade te Konstanstinopel geloofde eerst nog de verzekering der Turksche autoriteiten dat alleen verdachte elementen uit het oproerig gebied werden verwijderd, maar de berichten der consuls lichtten haar beter in en de ambassade richtte nu mondelinge en schriftelijke betoogen tot de Turksche regeering. Steeds weer kwamen de Duitsche ambassadeurs tegen de moorden op de Armeniërs op, maar alle protesten en vertoogen werden niet beantwoord en mondelinge bezwaren trachtten Talaat, Halil en Enver met leugens te ontzenuwen.

"Toen de deportaties en slachtingen begonnen, had Bulgarije zich nog niet bij de Centralen aangesloten, Turkije was geïsoleerd. Duitschland had op Turksch gebied slechts 75 officieren en 150 man. De Turksche regeering beschouwde bij dezen stand van zaken Duitschland slechts als een afhankelijk ontvanger van aalmoezen. Ook later kwamen de Turksche machthebbers tegen elke inmenging van Duitschland op in een taal, waarin duidelijk doorklinkt: "Als het u niet bevalt, ga dan maar heen"."

Misschien zegt Wolff, was er nog wel een middel geweest om de Jong-Turksche moordenaars bang te maken, om althans Duitschland tijdig te beschermen tegen het onjuiste verwijt dat het aan de misdaad niet geheel en al onschuldig is. Dat zou zijn geweest als men den raad had gevolgd van den Ambassadeur Wolff Metternich, die wilde dat in de Duitsche pers afkeuring zou worden uitgesproken over de vervolging der Armeniërs, maar de stompzinnige censuur belette integendeel elke toespeling op hetgeen in Turkije geschiedde.

Dit alles betreft de geschiedenis van de eerste oorlogsjaren. Maar de toestanden in Armenië zijn nog altijd vreeselijk. Blijkens mededeelingen bijv. van het Armeensch informatiebureau te Parijs zijn onlangs – in Juni – weer gruwelen gepleegd tegen de Armeniërs in Karabagh. Hier zijn door de troepen van de Tataarsche regeering van Aserbeidsjan, onder bevel van dr. Soeltanof honderden Armeniërs vermoord. Natuurlijk deden de Koerden aan de moordpartijen mee. Vreedzame dorpen zijn geplunderd en in brand gestoken, vrouwen en meisjes in gevangenschap weggevoerd.

In het geheel zijn meer dan 600 Armeniërs gedood, onder wie vele vrouwen en kinderen.

In Erivan en in heel Armenië trouwens heerscht groote opwinding over deze nieuwe slachtingen en men heeft zich tot de Britsche missie te Erivan gewend met een protest en met het verzoek dat recht zal worden geoefend.

Een blad te Tiflis meldt dat de bevelhebber der geallieerde strijdkrachten in den Kaukasus dr. Soeltanof heeft doen gevangen nemen. Oorzaak van de gruwelen is blijkbaar het verlangen van de Tataren om Karabagh bij de republiek Aserbeidsjan te voegen en Soeltanof schijnt nu de Turksche methode te hebben willen volgen, om eenvoudig een ongewenschte bevolking te verdelgen, liever dan te wachten op een beslissing van de vredesconferentie, zooals de Armeniërs verlangden.

Volgens de statistieken van voor den oorlog telde Armenisch Karabagh een bevolking van 526,000 zielen, van wie 376,000 Armeniërs, 138,000 Tataren, 9000 Russen, Georgiërs enz. en 3000 Turken.

Hetzelfde Armenische informatiebureau maakt melding van telegrammen door Bogkos Nubar pasja, president der nationale Armenische delegatie ontvangen. Het eerste telegram komt uit Konstantinopel en maakt melding van het feit, dat Turksche troepen, onder leiding van Moestapha Kemal, vroeger inspecteur-generaal van het Oosterleger, thans "rebel en meester van den toestand in Anatolië" en van den oud-minister van marine Réoef pasja, de Armenische republiek bedreigen.

Een tweede telegram komt uit Oermia (Perzië) en waarschuwt dat nieuwe christenmoorden daar aanstaande zijn en dringend hulp noodig is.

In verband met de dreigende actie van Moestapha Kemal wordt verder nog melding gemaakt van een algemeene mobilisatie in de Tataarsche republiek Aserbeidsjan, die heet gericht te zijn tegen generaal Denikin, maar die, naar aan Armenische zijde wordt vermoed, ten doel heeft een aanval op de Armenische republiek in samenwerking met Moestapha Kemal.

Colofon