Algemeen Handelsblad, 30 april 1909
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Brief uit Messina

Aan een hier ter stede ontvangen schrijven is het volgende ontleend:

20 April.

Eergisteren Zondag v.m. hier aangekomen. De stad was vrij rustig, maar men vertrouwde den toestand nog niet geheel, zoodat ik den namiddag en nacht maar aan boord van de Oostenr. Lloyd bleef. 's Morgens was ik in het stadje met den agent, maar van zaken doen met anderen geen sprake. De indruk, dien men in de stad krijgt is hoogst merkwaardig. Men vreest dat de Turken uit omtrek en stad de Armeniërs in de stad nog te lijf willen, patrouilleert met eenige soldaten en heeft de reservisten uit de omgeving opgeroepen, die zonder uniform, landloopers gelijk, met geweer op schouder en behangen met patronen, door de stad wandelen; het heet om stad en inwoners te bewaken, maar er is allerwege groot verschil van meening of zij in geval van botsing tusschen Turken en Armeniër, de zijde van de eersten of wel de zijde van de laatsten zullen kiezen. Het merkwaardigste is, dat temidden van deze tafereelen en eenige tot de tanden gewapende Turken uit de provincie, die de dagen te voren brand en moord gesticht hebben, rustig en kalm in de stad een kijkje nemen of hier of daar hun koffie drinken. Een schot van deze of andere bandieten kan daarom, gegeven de spanning allerwege, tot een aanval op het Armeensche kwartier leiden. De toestand in de omgeving schijnt slecht te zijn; in Adana spreekt men van 5000 dooden, de stad Tarsus schijnt voor een deel verwoest, maar het heet, dat het in beide steden nu rustig is. De consuls hier seinden om bescherming en men zegt, dat twee oorlogsschepen, een Italiaansch en een Engelsch, onderweg zijn, maar nog niets kwam aan, hoewel de vermoedelijke aankomst op gisterenmorgen gemeld was. De verbinding met Konstantinopel is gestoord.

Een Engelsch vrachtschip, dat naast de Oostenr. Lloyd ligt, heeft 800–1000 Armeensche vluchtelingen aan boord en wil niet meer nemen. Wij hadden aan boord van de Oostenr. Lloyd een 5/600 tal; meer wilde de kapitein niet hebben en haalde 's middags de ladder op. Aan boord heb ik het goed; het leven werd afgewisseld door lawaai van passagiers, een dokter, die in de war was van een tweeling-geboorte en een kortsluiting met een klein brandje, dat evenveel uit als aan was, alles opgevroolijkt door een gemoedelijken kapitein, die alleen zijn Slavische taal sprak.

Het schip vertrok gisteren en ik ging aan land met het doel den nacht aan boord van een Prince-lijn-boot door te brengen, die verwacht werd. Het schip kwam echter niet, zoodat ik op een veldbed in de club werd ondergebracht.

Men had weer een trein laten loopen tusschen Adana en hier, maar er kwamen gisteren zooveel vluchtelingen, die de plaats niet rustiger maken, dat men besloot heden den treinenloop niet te hervatten en dus nu de menschen in Tarsus en Adana aan hun lot overlaat. Slechts een gouvernementstrein, die geen passagiersdienst doet, loopt nu.

Uit de omstreken komen, gisterenavond en vandaag, telkens menschen binnen, die moorden en plunderingen op Armeniërs en Christenen rapporteeren. Op kantoor kwam een bekende aan uit een naburig dorp, 4 uur van hier, met het bericht, dat juist 12 Armeniërs vermoord waren: eenige soldaten, die ter bescherming uitgezonden waren, hadden 2 vluchtende Armeniërs ontmoet en deze voor den grond geschoten!

Den geheelen dag richten alle oogen zich op zee in afwachting der oorlogschepen. De vertooning van een schip zal, zegt men, alle gemoederen in rust brengen. Gisterenavond op de club aldaar gekijk met verrekijkers, maar tot heden middag nog niets.

Van Konstantinopel wil men blijkbaar de menschen hier niet berichten, wat daar geschied is, want niemand ontving eenig bericht.

Men zegt, dat de Europeanen hier veilig zijn en daar de club in de nabijheid van eenige consulaten ligt, ben ik niet ongerust.

Toch heerscht vandaag hier een heel onrustigere stemming dan de andere dagen, eensdeels als gevolg van het uitblijven der vreemds schepen, anderdeels door het inkomen van slechte berichten uit de omgeving.

De Prince-lijn-boot blijkt hier of daar vastgehouden te zijn en komt, denkt men, nu niet. Morgen komt de Russische boot, die mij naar Smyrna zal brengen.

21 April.

Gisterenmiddag liep het gerucht, dat men, Alexandrette navolgende, in den nacht een aanval op de gevangenis hier zou doen; in Alexandrette, heet het, vielen de Turken de gevangenis aan en lieten 400 boosdoeners los; maar om half 8 worden de gemoederen hier gerustgesteld door een zoeklicht van een naderend oorlogschip, dat een Duitsche bodem bleek te zijn, spoedig gevolgd door seinen van andere schepen en nu liggen drie (een Duitsch, Engelsch en Spaansch) schip op de reede. Dit machtsvertoon, dat op de Turken grooten indruk maakt, heeft de stad gerustgesteld.

Van Alexandrette komt hedenmorgen een telegram, dat de moord op de Christenen aanhoudt en dat de Engelsche matrozen geland hebben. Wat waar is weet men niet. Uit de omgeving hier zijn de berichten nog slecht; maar de stad is gekalmeerd. Ik vertrek hedenmiddag naar Smyrna.

Colofon