Algemeen Handelsblad, 30 januari 1924
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Adrianopel

(Van een bijzonderen medewerker.)

In primitieve landen is een aanbevelingsbrief van een of andere plaatselijke grootheid van onschatbare waarde. Men wordt dan als "gast" beschouwd. En een "gast" is in deze landen een geheiligde persoonlijkheid.

Tot mijn geluk herinnerde ik mij, dat ik een brief in mijn zak had in fraaie Turksche letters geschreven, gericht aan een jongen man, dien ik uit Weenen wel kende, maar van wien ik sinds jaren niets gehoord had. Een goed vriend, die de verhoudingen in Thracië beter kende dan ik, had mij dezen brief meegegeven. "Misschien zult gij hem kunnen gebruiken."

Uit het hotel "Rumeli" weer op straat gekomen, liet ik nu aan mijn gevolg daarbuiten mijn brief zien. De vertrouwelijke verhouding, die tot nu toe tusschen ons had bestaan, veranderde plotseling in een zeer eerbiedige, en telkens als zij den naam van den geadresseerde uitspraken, maakten zij een diepe buiging. En onmiddellijk van de veranderde situatie gebruik makend, vroeg ik op bevelenden toon: "Waar is A ... Bey?" Een menigte van gedienstige wegwijzers vroegen toen mij naar hem te mogen brengen. Zij spraken mij nu met Pasja aan. Wij klauterden over steenen, ruïnes van moskeeën, verweerde grafsteenen, over de bouwvallen van vroeger prachtige huizen en stonden plotseling binnen in een huis, in een groote ruimte, waarvan de eene helft een stal was en de andere een soort fabriek. In de stalhelft stonden zes prachtige volbloedpaarden, in de fabriekshelft eenige machines en kisten vol kaas. En te midden van dat alles troonde mijn vriend met een indrukwekkende astrakanmuts op het hoofd, bevelen naar links en rechts brullend, terwijl hij zich kaasmonsters liet toonen. Toen A ... Bey mij in het oog kreeg en ik hem den brief liet zien en hij mij daarna innig omarmde – wat al mijn begeleiders eerbiedig op een afstand aanzagen – was mijn renommé in Adrianopel voor goed gevestigd! Een vreemde, die door den grooten Pasja zoo hartelijk ontvangen wordt, moet zelf een groote Pasja zijn!

Zulk een renommé heeft in Adrianopel groote voordeelen. De "Op en neer" straat is van den vroegen morgen tot den laten avond de verzamelplaats der inwoners van Adrianopel. Men moet veel oefening hebben om zich door de menschenmenigte heen te wringen. En het was daarom een niet te onderschatten voordeel, dat de menschen, zoodra zij maar mijn Europeeschen hoed zagen, eerbiedig aan de kanten van den weg gingen staan om mij te laten passeeren, onder 't fluisteren van mijn naam en dien van mijn vriend. Deze hield zich destijds in Weenen bezig met het verkoopen van tabak en andere rookbare dingen. Maar hier is hij een groot man, een soort imperator. Hij is de leider der Thracische bendenorganisatie, en organiseerde den inval der Turksche vrijcorpsen in Grieksch-Thracië en hij is ook thans nog de aanvoerder van alle ongeregelde strijdorganisaties, die onmiddellijk geregelde troepen kunnen worden, wanneer het Turkije mocht invallen om, gebruik makend van de machteloosheid van Griekenland, naar Saloniki op te trekken. Dit klinkt zeer fantastisch. Want het is immers een der onomstootelijke dogma's der Europeesche overtuiging, dat Turkije slechts uit Europa terug kan trekken, maar daar nooit meer veld zal winnen. Nu deelen de Turken in deze meening niet. Zij zijn vast overtuigd, dat de opleving van den nationalen geest, die in staat is geweest om het vredesverdrag, dat hun door de geheele wereld was gedicteerd, te vernietigen, hen ook in staat zal stellen veel terug te veroveren van hetgeen zij sinds Koetschoek Kainardjie (21 Juli 1774, vrede tusschen Rusland en Turkije) verloren hebben.

Adrianopel is thans Turkscher dan ooit. Het herbergt 30.000 Turken, 3600 Joden, 500 Bulgaren, een paar Armeniërs en een paar Grieken. Eenige jaren geleden had Adrianopel wel 100.000 inwoners, waarvan 30 % Turken waren en 70 % Grieken, Armeniërs, Joden en Bulgaren. Waar zijn die Grieken, Armeniërs, Joden en Bulgaren gebleven? Wanneer men dit den Turken in Adrianopel vraagt, dan weten zij het niet. Maar wanneer men de moeite zou nemen om de akkers in de buurt van Adrianopel op te graven, dan zou men daar een groot deel van de 70.000 verdwenen menschen vinden.

Deels heeft men ze verjaagd, deels vermoord, waardoor Adrianopel genationaliseerd werd en tot een typisch Turksche stad gemaakt, maar ook tot een ruïne, zooals men er zoovele kan vinden, tot aan den Kaukasus en Damaskus!

De eenige Joden, die zijn gespaard, zijn de Spaansche. Deze leven sedert 600 jaar in Adrianopel en dragen namen als: Toledo, Cordova, Granada, Majo, Bassate, Taranto, die aan de heerlijkheden der Moorsch-Spaansche wereld herinneren.

Zaterdagsmiddags ziet men deze Joden in de "Op en neer" straat wandelen, feestelijk uitgedost. Hun vrouwen – de eenige vrouwengestalten, die men in Adrianopel ziet, zijn modern gekleed; n.l. volgens Adrianopelsche begrippen. Zij zijn gekleed volgens de Weensche creaties van twee, drie jaar geleden: lakschoenen, zijden kousen en blouses van crêpe de chine. Op zoo'n Zaterdagmiddag kan men zich wel voorstellen, dat Adrianopel in Europa ligt of tenminste dicht er bij. Zouden deze Joden verdwijnen, dan zal het laatste Europeesche element in Adrianopel verdwenen zijn. En het is niet onmogelijk, dat vroeg of laat ook zij moeten weggaan. Want de jong-nationalistische partij droomt ook van een Monroe-leer: Turkije voor de Turken.

Men moet eigenlijk eenigen tijd in Adrianopel geweest zijn, om in te zien, wat het verjagen dezer Joden voor Adrianopel beteekenen zou. Reeds thans is door de groote schoonmaak, die de Turken onder de inwoners gehouden hebben, Adrianopel voor drie vierden een doode stad; behalve in het centrum kan men uren lang rondloopen, zonder een levend wezen tegen te komen. Geheele wijken zijn absoluut verlaten; de Grieksche, Bulgaarsche en Armeensche wijk is geheel leeg. De huizen en erven zijn aan hun lot overgelaten, behooren aan niemand meer. Wie er intrekt wordt bezitter; en soms komen Turken uit Bulgarije of Griekenland, die meenen, dat zij in het Turksche vaderland beter kunnen leven, dan in den vreemde, hier heen en vestigen zich in deze verlaten woningen.

Wat is er van de heerlijkheid van Adrianopel overgebleven ? Wanneer men een oude beschrijving van deze stad ter hand neemt, ten tijde dat Selim de Drinker, Moerad of Soeleiman daar hun hof hielden, dan gelooft men in een Duizend-en-één-Nacht-sprookje te lezen.

Van al die pracht is zoo goed als niets meer over. Behalve drie moskeeën, vervallen muren, hier en daar een poort, is alle pracht verdwenen. En wat is de toekomst van deze stad? Wanneer de politieke situatie niet verandert en er in de territoriale verdeeling van het Balkansohiereiland geen grondige verandering komt, dan zal Adrianopel, dat sinds 400 jaren meer en meer achteruit gaat, nog dieper zinken. Deze stad, die geen handel en industrie heeft, kan ook de 30.000 menschen, die het thans herbergt, niet voeden. Temeer wanneer de Spaansche Joden, de laatste handelsmenschen, er uit verdreven worden. En dan zal ook het laatste overschot van deze eens zoo glorierijke stad verdwijnen, en deze plaats geheel en al tot een ruïne worden.

Colofon