Algemeen Handelsblad, 3 juni 1921
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De aanslag op Talaät Pasja

BERLIJN, 2 Juni. (Eigen Ber.) In het proces tegen den Armeniër Teilirian verklaarde de verdediger voor het begin van het verhoor, dat de verdediger wel in de eerste plaats de belangen van den bekl. in het oog moest houden, maar ook de algemeene belangen niet uit het oog mocht verliezen.

Dit vernam de voorzitter door een tolk van bekl., die volkomen kalm bleef.

Eerst toen hij over den Armenischen massa-moord in 1915 in Erzindjan kwam te spreken, geraakte hij in groote opwinding. Het kost den president groote moeite bekl. tot verdere verklaringen te brengen. Eenmaal zelfs zeide hij, liever te willen sterven, dan over den moord rapport uit te brengen.

Ten slotte gaf hij een uitvoerige schildering hoe de Armeensche inwoners, met name zijn eigen zuster, waren mishandeld, hoe zijn moeder werd gedood en alles werd geplunderd.

Teilirian heeft in een langen zwerftocht, den weg over heb gebergte, over Tiflis, Konstantinopel, enz. afgelegd en een ongeregeld leven geleid. De herinnering aan den moord volgde hem overal en veroorzaakte zenuwaanvallen bij hem.

Toen de voorzitter vroeg, of hij zich niet schuldig gevoelde, op 15 Maart l.l. Talaät pasja te hebben gedood, zeide hij: "neen!" en op de tweede opmerking, dat toch een mensch door zijn hand werd gedood, antwoorde hij, dat hij niet schuldig was, want zijn geweten was zuiver. Hij geeft weliwaar toe, Talaät pasja te hebben gedood, maar voor hem staat het vast, dat hij het moreele recht had een man te dooden, die voor het ongeluk van zijn volk verantwoordelijk was.

Hij herhaalt ook heden voor het gerecht, dat hij zich door zijn daad bevredigd gevoelde, waartoe zijn moeder, die hem in een droom verschenen was, hem had aangespoord.

Bij deze in groote opgewondenheid gesproken woorden heerschte in de zaal een ademlooze spanning.

De laatste beslissing zal ook in dit geval wel bij de psychiaters liggen, die als deskundigen aanwezig zijn.

Colofon