Algemeen Handelsblad, 3 mei 1930
Bron: Koninklijke Bibliotheek

L.C. Westenenk †

De man van het "worstelen" (1892–1913) en het "overwinnen" (1913–1924).

De garde sterft ... Westenenk overleden, aan de gevolgen eener tien dagen geleden plaats gehad hebbende operatie.

Westenenk, lang een sieraad van het B.B.-corps, bekend bij en geëerd door iedereen in Indië en Nederland. In Indië geboren op het koffieland van zijn vader in de residentie Semarang op 3 Februari 1872. Op zevenjarigen leeftijd ging hij naar Europa waar hij in Deventer het lager en middelbaar onderwijs volgde en de H.B.S. met goed resultaat afliep. Van 1890 tot 1892 studeerde de heer Westenenk aan de Indische instelling te Delft. Den 20sten November van laatstgenoemd jaar werd hij bij besluit van den G.G. benoemd tot ambtenaar ter beschikking en geplaatst te Bandoeng.

Met deze aanstelling begint de schitterende Indische carri̬re van den thans overledene. Reeds spoedig scheen men zijn bijzondere capaciteiten ondekt te hebben. De nog jeugdige ambtenaar werd achtereenvolgens in streken geplaatst waar men krachtige karaktervolle bestuursambtenaren noodig had. Er werden weldra in de buitenbezittingen landsbelangen van het uiterste gewicht in zijn handen gelegd en steeds heeft hij Рjong ambtenaar, geplaatst voor mannenwerk Рzijn taak meer dan bevredigend en vaak op bewonderenswaardige, energieke en tactvolle wijze volbracht.

In 1893 werd de heer Westenenk als aspirant-controleur te Tajan geplaatst, in de Wester-afdeeling van Borneo. Het volgende jaar ging hij naar Sanggan als waarnemend controleur, doch reeds den 20sten Juni van dat jaar werd hij tot controleur benoemd. Hier bleef hij nog geen volle 12 maanden. Den 1sten Juni 1895 werd hij als controleur geplaatst in de toen nieuw te creëeren onderafdeeling Boven Kapoeas, met standplaats Poetoes Sibau.

West-Borneo stond bekend als een "ontzettend gewest", de bestuurstaak kan daar niet gering worden geacht. De benoeming van den heer Westenenk als controleur eener nieuwe afdeeling, waar nog veel te organiseeren en te ontwikkelen viel, mocht op zich als reeds als een onderscheiding worden beschouwd. Men moest er een bestuursambtenaar hebben, die handelen kon, wanneer raadslieden ver waren. Men heeft zich in den jongen controleur niet vergist.

In 1886 werd controleur Westenenk, die bijna elke gewenschte inlandsche taal sprak, door den resident van het gewest, den heer Tromp, opgeroepen om den controleur Barth bij te staan in den uitgebarsten opstand in de Boven Melawi. De controleur Barth werd ziek en de heer Westenenk had het geluk den opstand te bedwingen aan het hoofd van inlandsche pradjarits en Dajaks. Wij zouden hierbij gaarne uitvoeriger stilstaan, wanneer plaatsgebrek het ons niet belette. Westenenk heeft er mooi en moeilijk werk verricht dat beloond werd met de benoeming tot ridder der Militaire Willemsorde 4de klasse op 5 December 1896; wijlen Charles Boissevain wijdde in zijn "Tropisch Nederland" eenige hoofdstukken aan hem.

Na ommekomst van een verlof werd hij, in 1897, geplaatst op Sumatra's Westkust te Pajo Koemboeh om het volgende jaar geplaatst te worden in het mooi gelegen en nijvere Sawah-Loento. Daar bleef hij twee jaar; in 1900 werd de heer Westenenk overgeplaatst naar Atjeh met achtereenvolgens Olèë Lheuë, Koeta Radja en Idi als standplaats. Ook in dit gewest onderscheidde de nog slechts 28-jarige ambtenaar zich op bijzondere wijze. Hij kreeg er het Eereteeken voor belangrijke krijgsbedrijven.

In 1903 vertrok de heer Westenenk met twee jaar verlof naar Europa. In 1905 in Indië teruggekeerd, werd hij geplaatst ter Westkust van Sumatra, met standplaats Fort de Kock.

In 1908 brak in de omgeving van de plaats een opstand uit, naar het heette, naar aanleiding van de invoering van directe belastingen, doch feitelijk was geestelijke dweepzucht de oorzaak der beroering. Ook deze opstand werd spoedig en met beleid door dezen controleur bedwongen. Voor de tweede maal was er reden het beleid van dezen burgerlijken ambtenaar te roemen. Over de gevechten te Kampoeng Tangha in Kamang vindt men in Boissevain's werk een levendige beschrijving. In Mei 1909 werd de heer Westenenk naar aanleiding van zijn optreden ter zake benoemd tot ridder der Oranje Nassau-orde en in November daarop volgend tot officier dier orde bevorderd.

Den 21sten Mei 1909 was intusschen de benoeming tot assistent-resident afgekomen met standplaats Fort van der Capelle. In October van het volgende jaar volgde de benoeming tot assistent-resident ter beschikking op Sum. Westkust. In 1912 werd hij tevens belast met het bestuur over de afdeeling 50 Kota (Pajo Koemboeh). In 1913 Vertrok de heer Westenenk met tien maanden verlof naar Europa.

In 1914 werd de heer Westenenk op voorstel der Nederlandsche regeering door de ambassadeurs der groote mogendheden te Konstantinopel voorgedragen als inspecteur-generaal der gendarmerie in Turksch Armenië. In April van hetzelfde jaar volgde de benoeming. Hij was in Australië werkzaam van Mei tot September 1914. Werd toen – de oorlog deed de benoemingen in Armenië opschorten – resident van Benkoelen.

Toen ging het crescendo. Resident van Palembang (1920), gourverneur van Sumatra's Oost-kust (1920), daarna lid in den Raad van Ned. Indië.

De thans verscheiden bestuursambtenaar, bekend om zijn organisatietalent, was een geleerde. In een zijner lezingen te Medan over "Voorhistorisch Sumatra" zeide hij van zijn studiën: "Ik draag slechts steentjes aan voor de geleerden!" 't Is maar wat men steentjes noemt! Maar voor zijn wetenschappelijke onderzoekingen heeft hij heel wat over gehad. En hij heeft heel wat onderzocht ter S.O.. Zijn licht stelde hij niet onder een korenmaat. In verschillende immer zeer belangwekkende voordrachten vertelde hij ervan; ook voor het genootschap Sumatra's Oostkust; waarin hij zeer veel belangstelde.

ln het kerkelijk leven stelt hij belang, zonder zich daardoor af te scheiden van andersdenkenden. Geen man van groote recepties, schitterende ontvangavonden. Hij werkte hard in zijn gewest en in zijn studeervertrek en daarna voelde hij zich gelukkig in zijn gezinsleven.

Wie zich nog eens op de hoogte wil stellen van de gastheerlijke capaciteiten van dezen "rijksbewoner" herleze wat Louis Couperus over het verblijf te zijnent schreef in "Oostwaarts".

Zoo was Westenenk. Naar het uiterlijk een stoere gestalte. Keurig gekleed. Een hoofd, waarin een paar open, prettige, maar ook sterke oogen. Een volmaakt hoffelijk man in den omgang met iedereen, wiens aankomst bij officieele gelegenheden even den vereischten schok door de aanwezigen deed gaan, doch die met zijn ongedwongen groeten links en rechts dien schok deed uitloopen op rust, Correct door en door. Gentleman. Man, die wist wat hij waard was!

Man ook van eruditie, van wiens werken wij noemen: "De Minangkabausche Nagari", een Atjehsch woordenboekje: opstellen over Minangkabau en Zuid-Sumatra en over folklore in West-Borneo; verschillende artikelen op oudheidkundig gebied betreffende Midden- en Zuid-Sumatra en eindelijk zijn algemeen gewaardeerd belletristisch werk: "Waar mensch en tijger buren zijn".

Een man ten slotte, van wien wij nog altijd veel verwachtten. Helaas: hij is niet meer ...

Colofon