Algemeen Handelsblad, 29 mei 1922
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Het lot van Klein-Azië

Venizelos heeft weer de leiding. – Engeland heeft Turkije ’s onderwerping geweigerd. – Moet Anatolië een nieuw Macedonië worden?

Elephterios Venizelos, na den schilder Domenico Theotocopoelo, den "Greco", het merkwaardigste, dat het eiland Kreta voortbracht; de niet lang geleden met de rijkste Grieksche gehuwde vijand van koning Konstantijn, laat ons, sedert hij in Europa van zijn huwelijksreis teruggekeerd is, zoowat twee keer per week mededeelen, dat hij zich voor goed en onherroepelijk uit de politiek heeft teruggetrokken.

Als een Levantijn je iets gewoon vertelt, blijft er een kleine kans, dat het ook zoo is. Vertelt hij het je enkele keeren achter elkaar of met bijzonderen nadruk, dan is deze kans al uiterst gering geworden, eerst zoodra er een of meer eeden of iets dergelijks bij te pas komen, ben je van allen twijfel bevrijd, dan kun je er vergift op nemen, dat het dus zeker niet meer waar is!

Zoover ik gehoord heb, heeft Venizelos er tegenover zijn interviewers nog geen eed op gedaan, dat hij zich niet meer met de politiek bemoeit of bemoeien zal; maar ik kan den lezer verzekeren, dat die anders heel erg valsch geweest zou zijn! Want Venizelos bemoeit zich niet alleen weer zeer druk met de politiek van zijn land, maar hij heeft thans ook weer persoonlijk de leiding genomen van de twee, voor Athene en de monarchie meest gevaarlijke, bewegingen: van den opstand op het eiland Kreta en van de beraamde d'Annunziade in Smyrna, van de organisatie der Mikraziaten dus.

Venizelos acht den tijd om daar openlijk voor uit te komen blijkbaar nog niet gekomen. In Athene wist men het, toen ik er in Februari was, ook nog niet. Wel bleek me toen, in gesprekken met leiders van de monarchistische partijen, dat men den ouden geslepen vos van Kreta nog steeds voor een mogelijk gevaar beschouwde; een goed deel dier conversaties liep ten minste nog steeds over Venizelos, waarbij men trachtte nog zooveel mogelijk materiaal tegen den gewezen dictator aan mij kwijt te raken. Dus vreesde men hem nog; want met historische onderzoekingen om der wille der historie alleen houdt geen Oosterling zich bezig.

Eerst den dag dat ik Smyrna verliet, 25 April j.l. vernam ik dat Venizelos weer persoonlijk de leiding had op Kreta en in Smyrna uit zulk een bron, dat er geen twijfel meer mogelijk was.

Wie gehoopt mocht hebben, dat die lamme Oostersche quaestie nu eindelijk geregeld zou worden, kwam bedrogen uit. Zooals de zaken thans staan, is er nog een eindelooze ellende en strijd om Klein-Azië te verwachten, een strijd, die waarschijnlijk eindigen zal met een totaal vermacedoniseeren (dat is de ovetreffende trap van verbalkaniseeren) van dit uitgestrekte en vruchtbare gebied.

Toen ik Smyrna verliet, was de evacuatie door de Grieken blijkbaar in vollen gang. Tenminste de evacuatie van Griekenland of Konstantinopel! Want er lagen toen wel twee groote transportschepen vol troepen in de haven. Maar die verlieten Klein-Azië niet, doch kwamen juist aan! Venizelistische deserteurs, die uit Konstantinopel terugkeerden naar Smyrna; versche troepen uit Griekenland? Wat het dan ook waren, in ieder geval een vreemde evacuatie!

Maar de Grieksche opperbevelhebber, generaal Papoelas, had nieuwe mannetjes noodig; ik had juist het cijfer van zijn deserteurs gekregen: hij miste elfduizend man.

In de straten van Smyrna was men dien morgen juist de eerste klopjacht op weerbare mannen begonnen. Ze hadden zelfs een Hollander, die consul van een Skandinavisch land is, mee gearresteerd. Zich op straat legitimeeren, mocht men niet meer. Alles moest mee naar een kazerne, waar men slechts losliet, wat men niet durfde houden.

Alles wees er op dat men te Smyrna berichten gekregen had, dat de oorlog voortgezet zou worden.

De lezing der Europeesche bladen leerde mij dit nog duidelijker! De Engelschen interesseeren zich immers plotseling weer heftig voor de "Turksche gruwelen", eischen enquête-commissies tegen de Turken, disschen ons weer barre cijfers op van vermoorde Armeniërs (ik las dezer dagen weer het cijfer: anderhalf millioen; in totaal wordt het aantal Armeniërs echter geschat tusschen 1.600.000 en 2.100.000; als er daarvan door de Turken tijdens den oorlog 1.500.000 vermoord zijn, waar komen dan toch al die Armeniërs vandaan, die thans nog een eigen land opeischen in Armenië en Koerdistan en zelfs nog een tweede in Cilicië, afgezien van die ontelbare Armeniërs waar je in het heele Oosten je hals en portemonaie over breekt, en waarvan er in Konstantinopel alleen al 150.000 wonen?)

Dat wijst op het besluit der Engelschen om de hun reeds enkele malen door de Turken aangeboden vriendschappelijke onderwerping niet aan te nemen. Anders zouden wij waarschijnlijk thans niets hooren van "Turksche gruwelen", maar van "Grieksche gruwelen". Want, ik heb er reeds meer op gewezen: die menschenslachtingen in den oorlog van dit Oosten, waar alle volkeren zoo verschrikkelijk door elkaar wonen, zijn niet specifiek Turksch of Grieksch of Armeensch, maar een zede, en waarschijnlijk zelfs een noodzakelijkheid, van het land. De Turken hebben gemoord, zooals de Grieken en de Armeniërs en de Tsjerkessen en de Koerden allen gemoord hebben. En elk doet dat naar zijn aard en karakter en uit godsdienstige, politieke, strategische of slechts zuivere roofmotieven. De een met wat meer wreedheid en sadisme dan de ander. De Griek verreweg het gruwelijkst en wreedst in den vorm.

En uit den aard van de veldtochten der laatste jaren, hebben de Grieken, die toen steeds in vijandelijk gebied opereerden, en door hun priesters daartoe aangespoord werden, het meest en het afgrijselijkst gemoord en geplunderd. Om dit te weten, behoeft men zelfs geen speciale nieuwe commissies uit te zenden, daarover liggen nog vrij recente enquête-rapporten van Engelschen en van neutralen, o.a. van het Roode Kruis te Genève, ter beschikking (bijv. de enquête in Anatolië, Mei. 1921, van het Int. Com. v.h. Roode Kruis, zie "Revue Int, d.l. Croix-Rouge", no. 81).

Maar thans spreekt men in het Engelsche parlement slechts over de „Turksche gruwelen". Men heeft daar dus besloten om verder tegen de Turken te blijven vechten of te laten vechten.

Men speculeert in Londen dus waarschijnlijk nog steeds op een uit zichzelf ineenstorten van het Kemalisme. Men is er blijkbaar vrij goed ingelicht over de oneenigheid in de omgeving van Kemal, over den lust van vele Kemalisten om eindelijk weer eens in een vriendelijker omgeving te kunnen gaan uitrusten dan in dat vervloekt onherbergzame Angora.

Kemal maakt werkelijk een moeilijken tijd door. Als elke tyran heeft hij zich vele vijanden gemaakt. Om hem heen heerscht ontevredenheid en afgunst. De Kemalisten zijn ten slotte voor een goed percentage nog echte Oosterlingen, met al het egoïsme, al de afgunst en intrigelust, die deze kenmerken.

Maar zoo heeft men ook op de ineenstorting van het bolsjewistisch regime in Rusland tevergeefs jarenlang gespeculeerd. En men heeft dit regime intusschen zelf, door telkens nieuwe aanvallen er op te steunen, steeds weer versterkt.

En datgene, waardoor het bolsjewistische regime zich heeft kunnen handhaven, de angst van de bevolking voor het nóg ergere, dat er op volgen zou, als men het omverwierp, zal ook Kemal in Klein-Azië houden. Want na Kemal zou iets nog veel ergers komen, een wilde anarchie met plaatselijke rooverhoofdmannen, stroopende bandietenbenden, Grieksche moord- en plunderinvasies, die de bevolking ten koste van alles zal trachten te voorkomen.

Er was m.i. maar één oplossing, die den Engelschen ook aangeboden is door den minister van buitenlandsche zaken, Joessoef Kemal, doch die kortaf geweigerd werd. De Kemalisten hebben Engeland voorgesteld, onder een schijn van onafhankelijkheid, hun heele overgebleven Turkije, mitsgaders Konstantinopel, aan Engeland uit te leveren. Engeland ware dan de vriend en beschermer van het Kalifaat en van Turkije geworden. Met Engelschen steun en onder Engelsche contrôle hadden de Turken, – de eenigen, die daartoe in staat zijn – in Klein-Azië de orde hersteld en de bodemschatten van dit land voor de exploitatie opengesteld. Turkije en Klein-Azië had een Engelsch protectoraat of, zooals een van Kemal's invloedrijkste aanvoerders het me dezer dagen zelf uitdrukte: een Engelsche kolonie kunnen worden.

De Turken voelen thans, nu de overwinningsroes over is en ze zien dat ze alleen met de Grieken niet klaar kunnen komen, dat ze het alleen niet kunnen, en dat de steun van den aartsvijand Rusland te gevaarlijk is of worden zal. Ze begrijpen dat alleen Engeland in staat is hen te helpen, nu en in de toekomst; dat de belangen van Engeland, met zijn vele millioenen Mohamedaansche onderdanen, en die van het Kalifaat thans parallel loopen. Ze hebben Engeland de vriendschappelijke onderwerping aangeboden. Men hoopte deze toenadering vurig èn in Konstantinopel, èn in Angora.

Het antwoord kent men: Engeland eischt onderzoek naar de "Turksche gruwelen in Klein-Azië" en zwijgt angstvallig over de Grieksche.

Voor het economisch herstel van Europa, voor de mogelijkheid van rust in, en ontginning der bodemschatten van Klein-Azië, Kaukasus, Mesopotamië, voor de rust in de Mohammedaansche wereld, die veel en onrustiger is dan men misschien gelooft, hoop ik nog steeds dat Engeland en Turkije het eens zullen worden. Ik weet dat de Turksche nationalisten, dat tenminste hun meest invloedrijke leiders, niets vuriger wenschen – als men eens wist, hoe sterk het verlangen naar vrede en naar den Bosporus is, bij wie dit paradijs sedert jaren niet meer zagen! – en dat Kemal, als hij zich al zou willen verzetten, gedwongen zou worden toe te geven.

Maar helaas, nog steeds is de invloed van de Grieken en der schatrijke Anglo-Grieken in Downning street enorm.

In het spel der politieke intriges zijn de Grieken nog steeds de groote meesters, en de arme Turken van Konstantinopel en Angora volslagen stumperds.

Venizelos, de man, die heel de Klein-Aziatische misère op zijn geweten heeft, heeft weer de leiding.

Engeland eischt gestrengheid voor den "wreeden Turk".

De elk jaar zorgwekkend met millioenen in aantal toenemende Islam wordt steeds geprikkelder over al den smaad den Kalief aangedaan.

De om vrede, rust, nieuwe arbeidsvelden en geld schreeuwende wereld krijgt, in plaats van een reusachtig en onontgonnen gebied als Klein-Azië voor haar ingenieurs en kolonisten, een pracht neo-Macedonië voor moordenaars en bandieten.

Kemal, die met Engelsche hulp, een prachtige borstwering in den Mohamedaanschen Kaukasus tegen het Roode Rusland had kunnen vormen, zal zich ten slotte genoodzaakt zien de 300.000 Mohammedaansche Russen te accepteeren, die Broessilof hem verleden jaar reeds aanbood, zich den Russischen erfvijand over te leveren.

Jammer! Maar niets aan te doen: waarom leest Lloyd George ook niet het Handelsblad!

Laren (N.-H.), 26 Mei.

G. Nypels.

Colofon