Algemeen Handelsblad, 28 juni 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Ahmed Riza

Onze Parijsche correspondent schrijft ons:

De Fransche politiek neemt heden wel alles in beslag maar toch mocht ik Nederlandsche zaken daarom niet vergeten, en daar ik in een der Fransche bladen gelezen had dat Ahmed Riza, de leider der Jong Turken, Nederland had verlaten en hier was teruggekomen ten gevolge van een wenk, eene vriendelijke uitnoodiging der Nederlandsche Regeering om het land te verlaten, zocht ik de gelegenheid hieromtrent eenige bijzonderheden van hem zelf te vernemen. Later komen wij waarschijnlijk op zijne Hollandsche indrukken terug; nu in alle haast ontving ik de verklaring die ik hier woordelijk mededeel:

"Geen enkele uitnoodiging, bescheiden of niet, om Nederland te verlaten, is tot mij gericht. Indien ik uit Den Haag vertrokken ben, was dit omdat, na mijne conférence te hebben gehouden, ik er niets meer te doen had, en mijne plaats te Parijs is. Bovendien ik denk er eerstdaags terug te keeren om eene nieuwe serie conférences te 's-Hage en te Amsterdam te houden."

"Ik voeg er bij", zoo ging de heer Ahmed Riza voort, "dat ik in Holland zoowel van de afgevaardigden met wie ik de eer had kennis te maken, als van de zijde der journalisten de meest sympathieke en aanmoedigende ontvangst heb genoten, hetgeen de beste tegenspraak is tegen het door u bedoelde bericht".

Ziezoo, dacht ik, dan heeft men onze Regeering ten onrechte zwart gemaakt, en heeft Nederland opnieuw zijn naam gehandhaafd van een vrij land, gastvrij voor elken vreemdeling. Maar nu lees ik de opmerking in het Dagblad, alsof de heeren na hun vertrek lastig zijn gevallen. Dit zou wel erg diplomatiek zijn geweest, maar ik hoop toch dat het onjuist is. In elk geval heeft men nu de beide lezingen.

Colofon