Algemeen Handelsblad, 25 mei 1920
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Armeensch-Turksche kwestie

Van een onzer medewerkers in den Balkan ontvingen wij den volgenden interessanten brief, waarvan de inhoud een anderen kijk geeft op de Armenische quaestie dan de in West-Europa gebruikelijke. Wij stellen in de objectiviteit van dezen medewerker het grootste vertrouwen – zijn betoogtrant bevat het bewijs dat hij dit verdient – en drukken daarom zijn correspondentie ongewijzigd en zonder commentaar af.

Evenals onder de regeering van Sultan Abdulhamit komen uit Cilicië weer weerzinwekkende berichten over massaslachtingen van Armeniërs, waardoor de zenuwen van de tamelijk afgestompte wereld weer opniew worden geschokt. Het valt mij in de verste verte niet in om slachtingen, door wie de ook worden gehouden, te rechtvaardigen en den weerzinwekkendsten van alle moorden, de godsdienstmoord, in bescherming te nemen. Maar elke waarheid heeft twee kanten, en wanneer de Armeensche perspropaganda het Armeensche bloedbad in Cilicië tegen de Turken weet uit te buiten, in dezen zin, dat zij daardoor de volledige vernietiging van Turkije door de Entente bewerkt, dan meen ik dat het in het belang der waarheid is, om te onderzoeken of werkelijk alleen de beestachtigheid van de Turken aan deze massamoorden schuldig is.

Ik geloof, dat ik eenig recht heb om dit uit te maken, want ik had gelegenheid om Turkije gedurende den oorlog bij wijze van spreken, in negligé te zien en wel juist daar, waar de Armeensche en Turksche stammen in den meest verbitterden haat elkaar te lijf gaan.

In de lente van het gedenkwaardige jaar 1918, toen ten gevolge van de Russische nederlaag, Turkije het offensief weer begon, en de vlag van den profeet zegevierend in vreemde landen woei, wat sinds den vrede van Kutschuk-Kainardje niet meer gebeurd was, bevond ik mij in het Armeensch-Russische grensgebied, en maakte een deel van den Turkschen opmarsch in het voornamelijk door Armeniërs bewoonde gebied mee.

Een ieder die weet wat oorlogvoeren betekent, zal moeten toegeven, dat er geen betere gelegenheid is, om een land en volk te leren kennen, als juist in den oorlog, waar alle menschelijke hartstochten met geweld tot uiting komen, en waar het laagje cultuur en veinzerij voor de ruwe, hoogere noodzakelijkheid van de oorlogsvoering verdwijnen. Als eenige Europeaan bevond ik mij toen ter tijd in de kritieke omgeving en ben misschien de eenige Europeesche getuige ervan geweest op welke wijze de gebeurtenissen gedurende den Turkschen opmarsch in Russisch Armenië zich hebben toegedragen, en hoe deze beide volkeren tot elkander stonden.

Voordat ik mijn reis begon, was ik reeds Armeensch gezind. Ik had gedurende mijn oponthoud te Konstantinopel, in de jaren 1916/'17, genoeg weerzienwekkende details over de Armeensche massamoorden in Turksch-Armenie gehoord en de Europeanen, die meer of minder goed over de gebeurtenissen in Armenië ingelicht waren, gaven dan Turken alleen de schuld en beschouwden de Armeniërs als de onschuldige offers van den Turkschen goddiensthaat en van de dierlijke hartstochten van een barbaarsch volk.

Mijn verhouding tot de Turken was goed genoeg om hen ook over dit netelige punt, wat een Europeaan bijna niet te berde durft te brengen, te spreken. De houding der Turken moest mij in mijn overtuiging sterken, dat de Armeniers onschuldig waren en de Turken alle schuld hadden. Want met een eigenaardige bruuske afwijzing werd mij steeds door iederen Turk, wien ik over het pro en contra van de Armeensche quaestie om inlichtingen vroeg, geantwoord: "Ja, alles is waar wat men over ons verteld. Wij hebben een millioen Armeniërs afgemaakt; het was een afschuwelijk bloedbad, maar wij waren in ons recht en wij zijn daarvoor alleen tegenover ons zelf verantwoording schuldig." Het gelukte mij niet nog verdere details, of de gronden van deze verschrikkelijke daden te weten te komen. En ik kon alleen tot den slotsom komen dat in de losgelaten hartstochten van den oorlog het godsdienstfanatisme tegenover de Christenen zich liet gaan, waar het maar gelegenheid daartoe zag. En dat gebeurde in het hoogland van Armenië, waar de van de gehele wereld afgesneden Armeniërs aan den Turken overgeleverd waren.

In het voorjaar van 1918 kwam ik in Trapezunt, van waaruit – gelijk bekend is – de eenige begaanbare weg naar het binnenland van Hoog-Armenië loopt.

Trapezunt zelf was in 1915 getuige van een Armeensch bloedbad en drie jaar later wisten Grieken en Levantijnsche Europeanen mij nog in kleuren en geuren te vertellen van de onbeschrijfelijke gruwelscenes, die zich binnen de oer-oude muren van de Trapezunt in 1915 afgespeeld hebben. Hoe op de straten van Trapezunt het bloed der Armeniërs vloeide! Hoe de Armeensche wijken in rook en vlammen opgingen en nog dagen en weken na het bloedbad de lijken van kinderen tegen den oer-ouden Konstantijnschen dijk en in de haven van Platana aanspoelden! Ik zag geruïneerde streken en men vertelde mij, dat dit eens Armeensche wijken waren geweest. Men toonde mij Christelijke kerken. Dit waren de kerken der Armeniërs. Men rakelde de mesthoopen op en beenderen en vergane lijken kwamen te voorschijn. Dat zijn lijken van Armeniërs, zeide men mij.

Dit zijn zulke ontzettende gewaarwordingen, die men nooit vergeet en die bij iedereen maar één wensch doen opkomen: God behoede ons en een ieder voor deze barbaarscheid en voor den godsdiensthaat der Mohammedanen!

Maar een prior der Franciskaner monniken, een eenvoudige oude priester, die ongetwijfeld aan de zijde van de Christenen stond, schudde zijn hoofd, toen ik in verwenschingen tegen de Turken uitbrak. "Gij vergist u" zeide hij, "de Turken hebben niet alleen schuld. Ja, voor iemand die uit Europa komt en die met Europeesche begrippen over Azië wil oordeelen, die zal de misdaad van het uitroeien van dit volk verwenschen. Maar het is niet de geheele waarheid, die gij gezien en gehoord hebt. Gij moet deze dingen door een Aziatische bril bekijken en begrijpen, dat hier twee volken elkaar met eeuwenouden haat en verbittering te lijf gaan. Men heeft hier twee mentaliteiten, de Turksche en de Armeensche en beide mentaliteiten zeggen, dat een van hen te gronde gaan. Ja, in 1915 waren het Armeniërs, die te gronde zijn gegaan. Alles werd tegen hen in werking gesteld, en zij moesten de nederlaag lijden. Maar zijt gij er wel van overtuigd, dat de Armeniërs in dezelfde omstandigheden niet hetzelfde zouden hebben gedaan of deden? Ik heb mijn rapporten van missies, uitgezonden door mijn orde in Beyazit, Van, Erzurum, Erzincan; uit de rapporten weet ik, dat in 1915 toen de oorlog met Rusland begon, het de Armeniërs waren, die achter het Turkse leger de revolutie aanwakkerden en de Turksche dorpen en nederzettingen ontvolkten en met den grond gelijk maakten. De verdere gebeurtenissen, die daarna in Turkije voorvielen, waren alleen de gevolgen van deze eerste vijandelijke houding der Armeniërs. Ik geef toe, dat er verschrikkelijke dingen gebeurd zijn; er is zooveel bloed gevloeid als nog nooit te voren. Maar onschuldig waren de Armeniërs aan het ontstaan van het bloedbad niet. En wanneer de Turken dan verder gegaan zijn dan nodig was, dan ligt daarvan de schuld niet alleen bij de Turken, maar bij de mentaliteit van Azië, waar de volkenhaat dieper gaat dan bij de Europeesche volken en waar de oorlog beestachtige vormen aanneemt."

"Zie b.v. naar Trapezunt. Gij hebt de platgebrande Armeensche wijken gezien, maar hebt hij ook de platgebrande Turksche wijken aanschouwd? Hebt gij op de nog frissche graven van de Turksche bevolking gelet? Neen! Ziet toen de Armeniërs zich in de zelfde positie bevonden als de Turken, toen zij zegevierend voortrukten onder de bescherming van het Russische leger, toen herhaalde zich het schouwspel van het jaar 1915, maar toen moesten de Turken het ongelden. Waar de Armeniërs een Turk vonden, daar werd hij onbarmhartig neergehouwen, waar zij een Turksche moskee zagen werd deze geplunderd en in brand gestoken. Turksche wijken gingen even goed in rook en vlammen op als Armeensche wijken. Gij gaat thans het land in en gij zult de sporen van den oorlog kunnen volgen: Bayburt, Erzincan, Erzurum en Kars. Gij zult nog rookende puinhoopen zien; gij zult nog bloed en lijken ruiken, maar dat waren echter Turkse lijken."

De Franciscaner pater heeft slechts de waarheid gezegd. Maandenlang ging ik dwars door Armenië en Kurdistan en ik vond bevestigd, wat hij mij verteld had. Na den terugtocht van het Russische leger, die op de Russische vrede volgde, namen de troepen van het z.g. Armeensche leger, de militaire operaties in de bezette Turkse gebieden over. Gedurende de Russische bezetting beschermden de Russen het leven en eigendommvan de Turken. Wat na dan terugtocht van de Russen gebeurd is, is hartverscheurend. De kleine Turksche nederzettingen werden door de benden van generaals Adronits en Murat tot den laatsten man afgemaakt, kerken tot den laatsten steen vernield.

Toen waren de Armeensche verwachtingen nog hoog gespannen. Hun plannen reikten ver, omspanden het geheele Turksche rijk. En zij hoopten dat zij met den erfvijand zouden kunnen afrekenen tot den laatsten man, de laatste vrouw, het laatste kind. Ik heb in Erzincan ruïnes gezien, waar honderden lijken van gewurgde Turken lagen tusschen de puinhoopen. Ik heb licht laten schijnen in putten, die vol lijken waren. Ik heb met eigen ogen gezien, dat graven open gemaakt werden, waarin mannen- en vrouwenlijken over elkaar lagen, bij honderden. Wie hadden dit gedaan? Die overwinnende Armeniërs.

Deze tooneelen vergezelden mij op den verren, langen weg door Opper-Armenië, Kurdistan tot in Russisch-Armenië. En is het een wonder, dat de Turken, toen zij weer overwinnaars waren, wraak namen, kwaad met kwaad vergolden? Ik moet erkennen dat tijdens den Turkschen opmarsch naar Russisch-Armenië het moorden voortgezet werd door de Turken. Aan den anderen kant van de grens van de Sary-Kamisch werden de Armeensche vestigingen, die daar tamelijk gezaaid zijn, ontvolkt met vuur en ijzer. De meest verbitterde volkshaat woedde tegen de vroegere overwinnaars, thans overwonnenen, in den beestachtigen vorm, een wild land van Azië eigen. Onze Europeesche hersens begrijpen deze onverbiddelijke haat niet, die volkeren tegen volkeren opzweept tot de ergste gruweldaden. Maar wij mogen niet vergeten, dat Opper-Armenië een land is, waarvan de beschaving vergeleken kan worden met de oer-cultuur der Europeesche volkeren. De volkeren daar zijn geen naties, doch horden. En zoals in den oertoestand der volkeren een ontmoeting van twee horden de vernietiging beteekende van een dezer twee, zoo is men in de bergen om den Grooten Ararat heden ten dage nog niet bedacht op samenleven, doch op vernietiging. In de kale bergen van Opper-Armenië bestaat er geen compromis, alleen strijd op leven en dood. De overwinnaar leeft, de overwonnene kan alleen sterven.

Tijdens mijn verblijf in Alexandropol gebeurde het volgende, dat een goed licht werpt op de mentaliteit van de menschen aldaar. Uit de richting van de bergengroep Ala Göz hoorde men op een dag kanongedonder. De Armenische bevolking, die achter het Turksche front in angst en beven leefde, legden dit kanongedonder zoo uit, dat de Engelschen oprukten tegen de Turken. En zij leefden in de overtuiging, dat de Turken binnen enkele uren verslagen zouden zijn. Onmiddelijk ontstond achter het Turksche front een opstand, en de zwakke Turksche posten in de Armenische dorpen werden op de geraffineerde manier dood gemarteld. Maar de Engelsen kwamen niet. Een detachement van Kaukasus-Armeniërs had getracht door het dunne Turksche front te breken. Vandaar het kanongedonder. En toen het gevecht een paar uur later voorbij was, kwam de wraak. De dorpen, waarin Turksche soldaten vermoord waren werden vernietigd. Kan men zeggen, dat de Armeniërs geen schuld hadden?

In Alexandropol zelf, in een zuiver Armeensche stad, waar, niettegenstaande de Turksche bezetting, de Armeniërs rustig hun werk deden, kwam ik veel in aanraking met toonaangevende Armeniërs. Zij leefden voortdurend onder een verschrikkelijke angst, dat op een dag door een onbedachtzame handeling van Armeensche benden de Turken wraak zouden nemen en dat zij dan het eerst er aan zouden moeten gelooven. Een gedeelte van Armeensche volk, het beste deel – was voor een vreedzame overeenstemmming met de Turken. Men was nu eenmaal gedwongen samen te leven. En dan zou toch alleen verdraagzaamheid een eind kunnen maken aan het moorden. Maar het grootste gedeelte en de benden, de zoogenaamde militairen wilden van vrede niets weten. Hun leuze was: "Zij of wij, een moet te gronde gaan".

De mannen, die verdraagzaamheid en verzoening predikten, werden verwenscht door het gros van het Armeensche volk. Men zei mij openlijk in Armeensche kringen: "Nu zijn de Turken baas. Maar spoedig zullen wij weer heer en meester zijn en dan zullen we geen enkelen Turk, die in onze handen komt in leven laten. Tusschen ons is geen overeenstemming mogelijk. Wij hebben een rekening eeuwen oud te vereffenen. Onze strijd is zoo oud als ons volk. Deze strijd begon op den dag, waarop de Turken in ons land kwamen en zal tot den dag duren, waarop wij of zij te gronde gaan. Een verzoening willen wij niet. Vervloekt zijn zij, die vriendschap sluiten met de Turken."

Zoo was de stemming in een tijd, waarin de Armenen geen hoop hadden ooit van de Turken bevrijd te worden. Het zag er naar uit, alsof de overwinnende halve maan geheel Russisch-Armenië tot zich zou trekken.

Hiernaar kan men beoordelen, wat er gebeurd is, toen de Turken moesten terugtrekken en de Turksche vestigingen weer in handen van de Armeniërs vielen.

Een vergelijk is alleen mogelijk tusschen beschaafde volkeren. Bij de volkeren van het wildste Azië bestaat alleen haat en vernietiging. "De Turken zijn schuldig. Zij hebben gemoord." Zijn echter de Armeniërs minder schuldig, die ook hebben gemoord, zoodra zij daartoe de macht bezaten?

Azië kan men alleen beoordeelen met Aziatische ogen.

Colofon