Algemeen Handelsblad, 23 juli 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Dr. Kuyper en de Armeniërs

De Kerk. Ct. neemt over dit onderwerp een schrijven op, dat geheel hare overtuiging uitdrukt en waarin het volgende voorkomt:

"Dr. Kuyper is een gelukkig man in de laatste dagen. Met zijn veldheersblik, dien Groen van Prinsterer hem, bij het omwerpen van den profetenmantel toekende, overziet hij het terrein van den slag en zijn onmiskenbaar groot talent stelt hem in staat van elke fout of tekortkoming, die er begaan wordt, gebruik te maken in eigen voordeel. Hij groeit in die fouten en is daarom nu een gelukkig man, een wiens zon dagelijks hooger rijst.

Onze gezant te Petersburg zond hem in een onbewaakt oogenblik een onhebbelijken open-brief, maar de wond, die door dien brief moest worden toegebracht, is voor dr. Kuyper een aureool geworden.

De tobbende Ongevallenwet, die men in Den Haag met eigen kracht dacht tot stand te brengen stuit af op den tegenstand van wie de meest belanghebbenden, maar niet geraadpleegden zijn, en dr. Kuyper komt met een amendememt in den geest der tegenstanders, dat het "groote amendement" heet dat hem een openbare hulde doet inoogsten, dat de behandeling der wet voor langen tijd op zij schuift, een gelukkig man, groeiend door de fouten van anderen.

En nu wordt op dat alles de kroon gezet door de Armenische lijdensgeschiedenis. Maar bij die kroon komt ook het keerpunt.

Een even ergerlijke als onbegrijpelijke onhandigheid van de Haagsche politie – ik zal maar geen sterker woord gebruiken – is de fout, waar de veldheersblik van dr. Kuyper middel in ziet tot hoogeren groei. Is de Haassche politie onhandig genoeg den Armeniër Minas Tschéraz het leven lastig en het spreken onmogelijk te maken, dr. Kuyper zal het opnemen voor den Armeniër. Een dankbaar werk. In de eerste plaats, omdat Armenië – een der oudste Christenlanden, met zijn gebergte Ararat aan de Oude bijbelsche oorkonde niet vreemd – in de laatste tijden om zijn gruwzaam lijden de sympathie van heel de beschaafde wereld had gewekt. En in de tweede plaats, omdat aan de traditioneele gastvrijheid van een slag was toegebracht, die gewroken moest worden.

En daar werd een driemanschap gevormd: Kuyper, Lieftinck en Vermeulen. De namen kijken elkander wel wat verwonderd aan; ze begrijpen noode, hoe ze elkander vonden. Maar de geschiedenis spreekt van meer wonderlijke triumviraten, Is er een Caesar, een Octavianus, een Bonaparte of een Kuyper bij, dan gaan de twee anderen mee. Nommer een blijft nommer een. Een meeting was spoedig belegd en de leiding, de opening, de sluiting was in handen gelegd van dr. Kuyper, die, met den Armeniër aan zijn zij, een nieuwe overwinning vieren zou.

Heeft hij die gevierd? Ja, hij heeft het lijden der Armeniërs geschilderd met donkere kleuren, hij heeft als vroeger Gladstone den sultan de vuist voorgehouden; (1) hij heeft zelfs tot den heer Minas Tschéraz gezegd: "geneer u niet, zeg vrij uit, wat gij wilt, aan ons de verantwoording!" Aldus het driemanschap blootstellend aan de willekeur der Haagsche politie, die gelukkig te Amsterdam weinig te zeggen heeft. Maar tusschen dat alles bleek maar al te duidelijk, dat Armenië de stok was, waarmee "onze autoriteiten" geslagen moesten worden, en die autoriteiten" waren de minister van buiterl. zaken die Transvaal en de Oranje-Vrijstaat bij de Vredesoonferentie voorbijging. Dat dr. Kuyper den paus er niet bij noemde, schoon hij bij zijn plannen Rome niet missen kan, is een van die machinatiën, waar hij het geheim van heeft. Die "autoriteiten" waren nog eens de minister van buitenlandsche zaken, die, volgens "onzen bewonderenswaardigen Braakensiek", den Nederlandschen leeuw liet knielen voor dan sultan.

Voor wie nadenkt blijkt, dat de hoofdzaak der meeting voor dr. Kuyper niet Armenië was. Het ging om de vredesconferentie en meer nog om het ministerie, en daarom ligt hier het keerpunt. Want al teekent Braakensiek met zijn voortreffelijke teekenstift den Nederlandschen minister, zich diep vernederend voor den sultan, en al roept dr. Kuyper die niet bijzonder vaderlandslievende plaat tot getuige op tegen "onze autoriteiten", wie zegt hem, dat de onhandigheid der Haagsche politie te wijten is aan den minister van buitenl. zaken, of aan het ministerie? Weet dr. Kuyper, bij wie de schuld ligt, en verraadt het niet een boozen toeleg, waar, zonder bewijs, een zoo ernstige beschuldiging wordt geslingerd tegen "onze autoriteiten", in casu de Ministers, als op de Amsterdamsche meeting door dr. Kuyper is geschied.

Ik noemde hem een gelukkig man. De fouten, door anderen begaan, strekten tot zijn verheffing. Maar de Haagsche fout, die bij voorzichtige behandeling nieuwen bloei aan dat geluksleven had kunnen bijzetten, heeft dr. Kuyper, niettegenstaande zijn veldheersblik, zelf tot een fout verleid, hij heeft zich in de kaart laten zien.

(1) In het Handelsblad noemt dan ook de heer Kricor Arpiar, die aan den redacteur van een Armenischen blad een verslag zond van de Amsterd. meeting, Monsieur A. Kuyper, le Gladstone des Pays Bas. 't Is geen kleinigheid!

Colofon