Algemeen Handelsblad, 21 augustus 1924
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Het Stervende Konstantinopel

(Van een bijzonderen correspondent.)

Zelfs in de ergste oorlogsdagen vertoonde Konstantinopel niet zulk een treurig beeld als thans in het tweede jaar van de zegevierende republiek. Het huidige Konstantinopel is een doode stad. De Gouden Hoorn is verlaten. Enkele onttakelde oude oorlogsschepen en zeilschepen wiegen zich op de golven, maar langs de groote kaden ziet men slechts zelden een stoomboot aanleggen. De eindelooze magazijnen en opslagplaatsen van Galata en Stamboel zijn leeg, zelfs de rotten trekken weg, omdat zij geen voedsel meer vinden. Leege straten vindt de wandelaar, die oude herinneringen wil komen opfrisschen. De duizenden handelskantoren zijn gesloten. Ruim 600,000 personen hebben sinds den intocht van de zegevierende troepen van Kemal Konstantinopel moeten verlaten. Al de honderdduizenden Grieken, Armeniërs en Levantijnen, in wier handen de geheele handel berustte, zijn uit de stad verdreven. In politek opzicht is dat misschien voor Turkije een voordeel, in economisch opzicht was het voor Konstantinopel zelfmoord en voor het overige Turkije een zware slag. Konstantinopel is thans zeker de eenige stad, waar geen woningnood heerscht. Er staan duizenden huizen leeg. Men zou meenen, dat in zulk een achteruitgaande stad het leven heel goedkoop zou zijn, maar het tegendeel is waar. Hoe armer de stad werd en hoe meer de handel verdween, des te meer gingen de prijzen in de hoogte, mede in verband met den onvoldoenden toevoer. Door Anatolië wordt Konstantinopel geboycot. Angora doet al het mogelijke teneinde Konstantinopel te dooden, de stad den toevoer af te sluiten. De voorziening van uit Europa ondervindt groote moeilijkheden. Het scheepsverkeer is gering en de vrachten zijn tamelijk hoog. De sjouwers zijn buitengewoon duur. Een blad heeft uitgerekend, dat een hoeveelheid koopwaar, waarvan het transport van New York zeven T.P. kost aan ontschepen en vervoer naar de magazijnen van Galata 16 T.P. kost. De regeering heeft zich genoodzaakt gezien op dringend verzoek van het stadsbestuur de tarieven van de sjouwers vast te stellen. Dat was op zichzelf een moedige daad, want de vereeniging der sjouwers is met die der vrijwillige brandweer de machtigste organisatie van de vroegere hoofdstad. Zij hebben in de geschiedenis van de stad steeds een groote rol gespeeld en de sultans poogden altijd deze vereenigingen te vriend te houden. Had de regeering te Konstantinopel gezeteld, dan zou zij zich waarschijnlijk nog wel eens tweemaal bedacht hebben; thans echter is zij buiten schot en kan gemakkelijk strenge verordeningen afkondigen. Een andere vraag is of de maatregel ook toepassing zal vinden.

Het is geen wonder, dat deze ondergaande stad voor de nationalistische regeering geen groote geestdrift gevoelt. De oppositie tegen de regeering zetelt in hoofdzaak te Konstantinopel en de partij "Eenheid en Vooruitgang", welke Kemal pasja c.s. in Angora in het parlement bestrijden, arbeidt in Konstantinopel met de oude middelen om tegelegenertijd haar actie tegen de revolutionairen van Angora vanuit Konstantinopel te kunnen organiseeren. Konstantinopel en Broessa zijn het middelpunt van de contrarevolutie. De verdreven Kalief telt hier nog talrijke aanhangers en de laatste opstand in het vilajet Broessa, een soort proefmobilisatie, toonde duidelijk aan, dat in het bijzonder de geestelijkheid zonder uitzondering tegen de regeering te Angora gekant is en altijd nog vasthoudt aan het Huis Osman. Wel werd de leider van den opstand terechtgesteld, maar daarmede is de contrarevolutionaire beweging nog allerminst te niet gedaan.

Men schijnt ook in Angora wel te voelen, dat de opheffing van het kalifaat een groote politieke fout was; maar dit inzicht komt te laat en veel van de behaalde politieke winst is weer verspeeld. Het minst nog heeft de roem van Moestafa Kemal geleden. Maar wat, als deze verdwenen is?

Met de verschillende stroomingen voor en tegen Angora hangt ook de vraag samen waarom de keizerlijke schatten niet in het algemeen belang worden gebruikt. Zij bedragen 400 millioen T.P. en bestaan uit een massa juweelen, diademen, het Zwaard van Mohammed enz. en bevinden zich tegenwoordig te Angora. In de najaarszitting van het parlement zal de vraag besproken worden. De nationalistische kranten bepleiten allen den verkoop ervan. De nationalisten hopen nl., dat zij met de opbrengst alle politieke en economische moeilijkheden zullen overwinnen, terwijl de oppositie de schat wil bewaren tot den tijd, dat zij zelf weer het heft in handen heeft.

Colofon