Algemeen Handelsblad, 19 augustus 1880
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Amsterdam, Woensdag 18 Augustus

Armenische bladen te Tiflis beweren, van eene geloofwaardige zijde uit Konstantinopel het bericht ontvangen te hebben, dat in Turksche kringen groote verbittering tegen den Armenischen patriarch heerscht, omdat deze, in tegenspraak met de officieele Turksche mededeelingen, den nood in Armenië als nog steeds toenemende beschrijft. Zij voegen er bij, dat ten huize van een pacha te Stamboel onlangs op den patriarch eene poging tot vergiftiging is gepleegd, welke echter door de waakzaamheid van een Armenisch geneesheer verijdeld is.

Met betrekking tot Armenië wordt voorts in een brief uit Konstantinopel aan Le Temps gemeld, dat de vertegenwoordigers der mogendheden zich bezig houden met het gereedmaken van het antwoord op de nota van Abbedin-pacha, over den toestand der Armenische provinciën en de daar in te voeren hervormingen.

"De billijke en dringende redenen voor eene spoedige toepassing van art. 61 van het Berlijnsche verdrag zijn reeds bekend", zegt de schrijver. "De Porte kan geen enkel voorwendsel aanvoeren om zich aan de uitvoering dezer verdragsbepaling te onttrekken. De belangen van de Regeering en de Armeniërs loopen in dit vraagstuk niet uiteen. Men kan uit hetgeen in de provinciën van Europeesch-Turkije, voornamelijk in Bulgarije en Oost-Rumelië, is voorgevallen geen gevolgtrekking maken ten opzichte van Armenië, nadat de hervormingen daar ingevoerd zullen zijn. De Bulgaren hebben geen bewijs van politieken takt gegeven en zich aan wreedheden schuldig gemaakt. Op verschillende punten van hun gebied hebben zij de Turken en Grieken op gruwelijke wijze vervolgd. Iets dergelijks is in Armenië niet te duchten. Zelfs op dit oogenblik, in alle districten der Armenische provinciën die goede gouverneurs hebben, leven Armeniërs en Muzelmannen in de beste verstandhouding. De Armeniër voedt geen wrok tegen den Turk, hij heeft noch politiek programma noch plan om zich af te scheiden. Hij verlangt niets anders dan in vrede te leven en de zekerheid te hebben dat hij de vruchten van zijn arbeid zal mogen plukken.

De wenschen der Armeniërs zijn de volgende: Een eerste vereischte voor eene deugdelijke hervorming is de keus der ambtenaren, die haar ten uitvoer moeten leggen. Men zal daarbij dus moeten uitsluiten de geëmployeerden uit de zoogenaamde bevoorrechte klasse, die ten gevolge van hunne opvoeding en bijzondere denkbeelden, hunne godsdienstige begrippen en administratieve sleur, steeds elke nieuwigheid vijandig waren. De gouverneur-generaal zal een Christen moeten zijn en daar hij het bestuur moet voeren over Armenische provinciën, is het niet meer dan billijk dat een Armeniër voor dien post gekozen worde. Zulk een gouverneur, hoe groot zijne verdiensten ook mogen zijn zou geen degelijken arbeid kunnen verrichten, indien hij, zooals tegenwoordig vaak gebeurt, om de eene of andere nietige reden zou kunnen afgezet worden. Hij moet er dus van verzekerd zijn, voor vijf jaren op zijn post te blijven. Vermits art. 61 van het Berlijnsche verdrag aan de mogendheden het recht van toezicht op het beheer der Armenische provinciën toekent, spreekt het vanzelf, dat zij dit recht ook oefenen wat de benoeming van den gouverneur betreft. Deze amhtenanr zal met toereikend gezag worden bekleed, doch verantwoordelijk zijn, zooals bijv. de gouverneur van den Libanon.

De quaestie der hervormingen betreft drie hoofdpunten: veiligheid, rechtsbedeeling en billijke omslag der belastingen.

Tot dusver bestond de persoonlijke veiligheid in Armenië niet en er moeten derhalve maatregelen worden genomen, waardoor de bevolking van het land in staat wordt gesteld om zichzelve te beschermen. Om tot dit doel te geraken wenschen de Armeniërs de vorming eener gendarmerie uit Muzelmannen en Christenen, die in het land wonen; zij moet onder het bevel staan van een Europeesch officier. De kaders moeten uit Muzelmannen en Christenen saamgesteld worden. Deze gewapende macht moet ter beschikking staan van den gouverneur. De geregelde troepen, welke in de provincie in garnizoen liggen, zouden de gendarmerie in hare taak moeten bijstaan, onder oppertoezicht van den gouverneur.

De rechtsbedeeling zal eerst dan op goeden grond geregeld worden, wanneer de scherif zich bepaalt tot de kennisneming en berechting van de geschillen tusschen Muzelmannen; wanneer verder het strafwetboek naar de eischen van het moderne recht wordt gewijzigd en de inrichting der gerechtshoven, voor welke de Christenen moeten verschijnen, eene volledige hervorming ondergaat. Daarbij moet aan den gouverneur-generaal de bevoegdheid worden gegeven tot aanstelling van buitenlandsche rechtsgeleerden, voornamelijk bij het Hooggerechtshof.

Wat de belastingen aangaat wenschen de Armeniërs, dat de grondbelasting in de plaats trede van de tienden. Een algemeene raad, zonder eenig staatkundig karakter, zou met den omslag worden belast. De opbrengst zou in de centrale schatkist gestort worden, na aftrek van het deel, dat voor de plaatselijke behoeften bestemd is. De provincie zou ook het recht moeten hebben, om zich hulpbronnen te verschaffen voor scholen, openbare werken, openbare veiligheid en rechtsbedeeling.

Gelijk men ziet, raakt dit hervormingsplan in geen enkel opzicht de politiek; het kan aan de Porte geen onrust baren en is evenzeer in het belang van den Staat als in dat der provincie. Men hoopt dus dat het verwezenlijkt worde."

Colofon