Algemeen Handelsblad, 18 oktober 1927
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De zending in Turkije

Goede kansen in het nieuwe Turkije.

Er zijn weinig landen, waar de Zending sedert de oorlogsjaren een zoo groote verandering ondergaan heeft als in Turkije. De tegenwoordige republiek is heel wat kleiner dan het vroegere rijk; Arabië, Palestina, Syrië en andere kleinere stukken zijn er van losgemaakt. Het aantal Armeniërs en Grieken, die er vroeger toe behoorden, is aanmerkelijk verminderd. Daar de Turken bijna allen den Islam aanhangen, is het percentage Mohammedanen thans veel grooter dan vroeger. Eeuwen lang kwamen de Turken in nauwe aanraking met de Armenische en de Grieksche Kerk; de leden dier Kerken bleven in de minderheid, maar zij waren toch Turksche onderdanen, zij het dan ook met bijzondere rechten (de capitulaties). Hun leiders werden door den Sultan erkend en hadden in de regeling hunner zaken een groote mate van zelfstandigheid. Hun sympathieën gingen uit naar nationale zelfstandigheid, wat den Turk met wantrouwen jegens het Christendom vervulde. Het Christendom, dat men hier vond, had in zoover overeenkomst met den Islam, dat het nadruk legde op het formeele. Er ging geen zendingsdrang meer van uit. De Islam en de genoemde Kerken leefden naast elkander, vijandig en zonder aanraking. Een Turk, die Christen werd, veranderde zijn naam; evenzoo een Christen, die Mohammedaan werd; men trad over in een anderen levenskring met andere zeden en gebruiken.

In 1819 begon de American Board of Commissioners for Foreign Missions hier zijn arbeid. Men bedoelde een arbeid onder alle rassen, die men in Turkije vond, maar men vond een uitgebreid arbeidsveld onder de Armeniërs en de Grieken. Vooral de Armeniërs toonden zich toegankelijk voor invloed uit het Westen. De Amerikanen zochten hun taak vooral in het geven van onderwijs. Vele zendelingen leerden dan ook geen Turksch, maar Armenisch. Wel werd de bijbel ook in het Turksch vertaald, en de scholen en ziekenhuizen stonden open voor de Turken. Er bleef steeds aanraking met de Turken, die het onderwijs, de ziekenverpleging en de liefdadigheid wisten te waardeeren en al spoedig spraken van het "Protestantisme" in tegenstelling met het "Christendom", dat zij bij de Grieken en Armeniërs vonden. In hun werk richtten de zendelingen zich echter inzonderheid tot de Armeniërs en de Grieken. Zij zagen de Christelijke Kerk in Turkije in verval, en hebben al hun best gedaan om aan die Kerk nieuw leven in te gieten. Was dit bereikt, dan zou er van die herboren Kerk een zendingsdrang uitgaan om de menschen in de naaste omgeving voor het Evangelie te winnen. Met groote toewijding en opoffering is dat werk gedaan, maar door de leiders dier kerken werd het weinig gewaardeerd. Het onderwijs liet echter niet na invloed te oefenen; en het nut van die scholen ontging den Turken niet. De vraag werd hoe langer hoe meer levendig, hoe zij ook voor hunne kinderen daarvan profijt zouden kunnen trekken.

Na den wereldoorlog vond de American Baord zijn vroegeren arbeid voor een groot deel buiten hetgeen voortaan Turkije zou heeten. De Armeniërs waren, voorzooveel zij dezen oorlog overleefden, uitgeweken naar Syrië, Palestina, Egypte en Rusland; de Grieken waren onder Grieksche heerschappij teruggebracht. Vele zendelingen volgden en hun werk werd verlegd.

Wat er van zendingsarbeid in het tegenwoordige Turkije bleef, had voortaan te maken met een Mohammedaansche bevolking. Meer dan vroeger is dit werk nu Mohammedanen-zending geworden. De zendelingen leefden niet meer onder het voorrecht van extraterritorialiteit, maar de Turksche regeering liet hen rustig voortgaan met hun werk. Het aantal leerlingen uit Turksche families nam toe. Een Amerikaansch college, dat vroeger alleen door Grieksche en Armenische studenten bezocht werd, heeft nu een groote massa Turksche studenten. Van hooger hand worden deze scholen begunstigd en wordt de toeloop van leerlingen bevorderd. Het gaat daarbij natuurlijk vooral om het zich toeëigenen van de Westersche cultuur.

De onderwijswet schrijft voor, dat alle scholen godsdienstloos moeten zijn gedurende de wettelijke schooltijden, maar buiten die uren om heeft men alle vrijheid voor godsdienstonderwijs en prediking. Mits zij het vrijwillig doen, mogen de leerlingen hieraan deelnemen. Het ontbreekt niet aan stemmen, die waarschuwen tegen het geleidelijk binnendringen van het Christendom in deze scholen, maar de regeering en het grootste deel der bevolking begunstigen dit onderwijs. Zag men vroeger in de zendelingen de vrienden van de Grieken en de Armeniërs, nu is men er mee ingenomen, dat zij zich geheel en al aan de Turken wijden. Hetgeen beteekent, dat hier voor de Zending een tot nu toe ongekende arbeidsgelegenheid geboden wordt, welke de American Board dankbaar aangrijpt.

Colofon