Algemeen Handelsblad, 15 juli 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Ahmed Riza bei en Pieter Anmeghian

De correspondent van de "N.R.C." te Konstantinopel deelt eenige bijzonderheden mede omtrent de beide leden der Jong-Turksche partij, van wie in den laatsten tijd in de Nederlandsche pers zoo dikwijls sprake is.

"Ahmed Riza bei is de zoon van Ali Riza bei, die hoofdambtenaar was aan het ministerie van openbare werken. De oude Riza was een persoonlijke vriend van Abdul-Hamid, toen deze nog geen sultan was en als prins die niet tot den troon geroepen was, nog vrijzinnige denkbeelden huldigde. Na de verbanning van Midhat pasja werd diens vurige bewonderaar Riza bei verdacht, en werd weldra naar Taïf in Jemen verbannen, waar hij spoedig daarna stierf. Die daad van willekeur, aan zijn vader begaan, heeft Ahmed Riza Abd-ul-Hamid nooit vergeven.

In staat gesteld aan de landbouwschool van Grignan in Frankrijk zijn studies te voltooien, maakte hij zich daar de Europeesche vrijheidsideeën eigen, en daarom gevoelde hij zich, hier te lande teruggekomen, ongelukkig. Toen hij daarop, niettegenstaande zijn kennis en zijn erkende bekwaamheid, bij het vergeven van betrekkingen aan de landbouwinrichtingen en scholen voortdurend op grievende wijze werd achteruitgezet, verliet hij in het begin van 1896 het land, en week uit naar Londen. Van daar begaf hij zich naar Parijs en Genève, waar hij de uitgave van de Mechvéret begon en zich aan het hoofd der Jong-Turksche beweging stelde. Naar aanleiding van de artikelen in dat blad is hij, evenals alle andere chefs der Jong-Turksche partij, bij verstek ter dood veroordeeld.

Hij is een overtuigd patriot, die strijdt en lijdt voor zijn beginselen, zonder daarbij eenig bijoogmerk te vervolgen."

"Pieter Anmeghian is een katholieke Armeniër uit Konstantinopel. Na een broederschool te hebben afgeloopen, werd hij klerk aan een der ministeries. Hij bleef daar evenwel niet lang, trouwde zeer jong, en vertrok naar Parijs, om zich aan de fraaie letteren te wijden. Hij word daar voorgesteld aan François Coppée, wien hij beviel, en die sedert zijn beschermer is gebleven.

In 1895 keerde hij hier terug, kwam eerst in de redactie van de Moniteur Oriental, doch ging spoedig over naar die van de Stamboul, waar hij tot zijn vertrek in 1896 secretaris der redactie bleef. Hij werd door de lezers van dat blad, vooral om zijn geestig geschreven theater- en mondaine kronieken, zeer gewaardeerd. Met politiek bemoeide hij zich nooit.

Na de moordpartijen in Augustus en September 1896, welke een onuitwischbaren indruk op hem hadden gemaakt, meende hij dat zijn vrouw en zijn beide jongens hier niet meer veilig waren, verliet deswege Turkije en week naar Parijs uit.

Daar hij nooit iets tegen den Sultan of de regeering had geschreven of gezegd en volstrekt niets had misdaan, wendde hij zich daar met het volste vertrouwen tot den Turkschen ambassadeur, Munir bei, bij wien hij trouwens bovendien warm was aanbevolen. Deze beloofde hem gouden bergen, maar deed niets, ja, werkte hem veeleer tegen in het verkrijgen van een vaste betrekking. Die behandeling bracht Anmeghian eindelijk tot de partij der Turksche ontevredenen te Parijs, waar Ahmed Riza hem met open armen ontving, vooral toen hij zijn welversneden pen ter beschikking der Mechvéret stelde.

Pieter Anmeghian was in de journalistische kringen hier ter stede algemeen zeer gezien, en werd door zijn collega's als een joviaal, vroolijk kameraad hoog geschat. Nog dikwijls herdenken zij hem met ingenomenheid".

Colofon