Algemeen Handelsblad, 14 maart 1921
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Oostersche quaestie

LONDEN, 14 Maart, (N.T.A., draadloos uit Horsea.) De Londensche conferentie besloot gisteren haar werkzaamheid. Vooraf ontvingen de Turksche en Grieksche delegaties de voorstellen der Geallieerden, welke in bepaalde opzichten de bepalingen van het verdrag van Sèvres wijzigen, teneinde in het Nabije Oosten een duurzamen vrede in het leven te roepen. Deze voorstellen waren geconcipieerd zooals reeds vroeger gemeld. Hieraan kan worden toegevoegd, dat onder deze voorstellen ook een bepaling voorkomt betreffende Koerdistan en Turksch-Armenië. Wat betreft Koerdistan, zijn de Geallieerden overeengekomen, dat de bepalingen van het verdrag van Sèvres zullen worden gewijzigd "in een geest, overeenstemmende met de bestaande feiten". De Geallieerden erkennen het recht van de Turksch-Armeniërs op een onafhankelijk bestaan aan de Oostgrens van Turkije in Azië. De Volkenbond zal zich hebben bezig gehouden met de taak, de grens van Armenië vast te stellen.

De Grieken bepaalden zich bij het in ontvangst nemen van de voorstellen tot een eenvoudig protest.

De Turken maakten bezwaar tegen het handhaven van een Grieksche bezetting in de stad Smyrna. Zij herinnerden eraan, dat zij de voorgestelde internationale commissie van onderzoek hadden aanvaard, die een onderzoek zou doen naar de bevolking van Oost-Thracië, hetwelk naar hun meening Turkije onvermijdelijk diende te behouden. Doch zij zegden toe, de voorstellen zoowel aan de Ottomaansche rijksregeering als aan de groote nationale vergadering te Angora te zullen voorleggen.

Lloyd George maakte het namens de conferentie duidelijk, en wel in woorden die indruk maakten op zijn toehoorders, dat er geen dubbelzinnigheid kon worden geduld en dat de voorstellen "moeten worden onderzocht als één geheel, zonder exceptie en zonder verwijzing naar vroegere voorstellen."

Colofon