Algemeen Handelsblad, 14 december 1920
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Hadjin moord

De secretaris van het "Britsch Armeniaansche Comité" te Londen, T.P. Conwil-Evans, deelt in een schrijven aan de "Westm. Gaz." mede dat hij van den Britschen agent te Adana d.d. 6 november j.l. een brief ontving omtrent de gruwelen te Hadjin in Cilisië door Kemalisten-troepen bedreven. De Turken gedroegen zich daar als wilden; zij vielen de weerlooze en hongerende bevolking aan en spaarden niemand.

Na een beleg van zeven maanden, hadden honger en ontbering de bevolking van Hadjin reeds van 8000 tot 5000 zielen doen dalen. De overlevenden hadden zich op de been gehouden door het eten van honden, katten, ezels en zelfs gekookt schoenleder. Als hongerende kinderen zich buiten waagden om gras te plukken, werden zij door Turksche vrijschutters dood geschoten.

Toen op vrijdagmorgen, 15 October, een algemeene aanval met grschut en machine-geweren gedaan werd, had de bevolking nagenog geen kracht meer iets te doen. De granaten waren van dien aard, dat elk gebouw waarop ze vielen, vernield werd. De kinderen in het gregoriaansche weeshuis werden allen door een granaat gedood, die door vier verdiepingen sloeg.

In de stad gekomen begonnen de Turken een algemeenen moord. Iemand, die Hadjin den derden dag verliet, zegt dat geen enkel gebouw of levend wezen in de stad zijn overgebleven. Er werd blijkbaar maar weinig geplunderd; alles werd in brand gestoken en de menschen, die aan de vlammen poogden te ontsnappen, werden neergeschoten. De brug, die in de richting van Adana toegang gaf tot de stad, werd bestreken door twee machine-kanonnen, zoodat ieder die er over wilde, werd weggemaaid. Een vluchteling, die een geheelen dag op een bergtop verborgen lag en door een kijker alles kon overzien, meldt dat de weg vol dooden lag en dat de enkelen, die nog ontkwamen over de lijken der gevallenen, moesten kruipen.

Zoodra bekend was dat de Franschen geen hulp konden zenden, boden de Armeniërs van Adana aan ter hulp te snellen, doch de Franschen meenden dat verzoek niet te kunnen toestaan, omdat zij daaruit meer last van de Turken vreesden.

"Ik verneem," zoo vervolgt de schrijver, "dat twee twaalfjarige knapen de eenige geredden uit het amerikaansche weeshuis zijn. Toen de aanval begon, waren alle jongens uit dat gebouw in verschillende richtingen gevlucht. Een vriend van M. – de Engelsche pleegzuster, die aan het hoofd stond van het meisjesweeshuis – wist Adana te bereiken. Hij zegt dat hij M. voorstelde samen te vluchten, doch zij had gezegd: "Ik blijf bij de meisjes. Als zij gedood worden, zal ik met hen sterven". Tot dusverre is niets van haar gehoord. Wij vernamen dat vier of vijf meisjes door de Turken medegenomen zijn naar Karo Bazar. Zij werden weggevoerd op paarden. Er bevinden zich ongetwijfeld nog vrouwen en kinderen in het gebergte en als de Turken ze vinden, worden ze, naar wij vernamen, gedood. Tal van hartverscheurende verhalen worden verteld door hen, die daar achter bleven.

De Fransche regeering kan voor de ramp geen verantwoordelijkheid ontkennen. Behalve hun wreede politiek, is de obstructie der Fransche regeering een verkrachting van de drievoudige overeenkomst met Italië en Engeland waarbij Frankrijk werd belast met de bescherming der niet-Turken in Cilisië."

Colofon