Algemeen Handelsblad, 13 september 1901
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Buitenlandsch overzicht

Uit Armenisch-Turkije komen weder berichten van moorden. De Koerden en Turken schijnen daar nog steeds het privilege te hebben om de Armenische Christenen overhoop te steken bij het minste wat er gebeurt. Nu is er Zondag brand ontstaan in de kazerne te Moesj en den dag daarop in de Turksche wijk. De Turken stellen de Armeniërs daarvoor verantwoordelijk en begonnen te plunderen en te moorden in de Armenische wijk. De Vali van Bitlis is naar Moesj gegaan en verschillende bataljons troepen zijn op zijn last van Konstantinopel naar Moesj vertrokken.

De Armeniërs ontkennen beslist alle schuld aan de branden, en evenmin, zoo verklaren zij, hebben zij plan om zich tegen de Turksche autoriteiten te verzetten of een opstand te beginnen. Deze beschuldigingen zijn slechts verzinsels van plaatselijke besturen om als verontschuldiging te dienen voor hun lauwe houding tegenover de gruweldaden der Koerden.

In den Turkschen Staatsraad zijn enkele maatregelen besproken ten gunste der Christelijke bevolking, doch de Staatsraad verwierp die bijna eenstemmig. De Sheik-ul-Islam, het jongste lid van den Staatsraad, veroordeelde dit besluit op scherpe wijze. Wat moet er, zoo vroeg hij, terecht komen van de gelijkstelling voor de wet, die aan Christenen en Muzelmannen is toegezegd. Hij veroordeelde vervolgens het geheele in zwang zijnde regeeringsstelsel, dat naar hij zeide het land naar den afgrond voert en het Turksche Rijk belachelijk maakt. Hij weet weer wel, zeide hij, dat zijn woorden aan den Sultan zullen worden overgebracht, maar hij zal zich daaraan niet storen, want hij is bereid dit alles en nog veel meer voor het aangezicht van den Sultan te herhalen.

Colofon