Algemeen Handelsblad, 13 maart 1920
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Curzon over Turkije

LONDEN, 12 Maart. (Eigen ber.) In het Hoogerhuis zinspeelde heden lord Curzon, de minister van buitenlandsche zaken, op de mogelijkheid van ernstige verwikkelingen in het nabije Oosten. Hij wenschte geen mededeelingen te doen betreffende den aard der bevelen, aan de geallieerde hooge commissarissen te Konstantinopel gezonden, doch hij sprak openlijk van Turksche aanmatiging en uitdaging en van plannen, om het ten uitvoer leggen van het vredesverdrag onmogelijk te maken. De toon van zijn rede was vastberaden, doch somber.

Wat Klein-Aziƫ betrof kon Curzon niet garandeeren, dat de toestand daar over zes maanden niet ernstiger zou zijn.

LONDEN, 11 Maart.(Reuter), In den loop eener lange rede in het Hoogerhuis over het Turksche vraagstuk, sprak Curzon de meening uit, dat slechts door een actie te Konstantinopel doeltreffende maatregelen konden worden genomen om moorden in Armeniƫ en elders te voorkomen. Er was, zoo betoogde hij, te Konstantinopel een geest van aanmatiging en uitdaging ontstaan, die een slecht voorteeken was voor de toekomst. Er was herhaaldelijk ernstig inbreuk gemaakt op de wapenstilstandsvoorwaarden en er waren teekenen van een herleving van den nationalen geest onder de Turken en van een voornemen hunnerzijds om de vredesconferentie vrees aan te jagen. De geallieerden beschouwden de moorden te Marasj als een opzettelijke poging der Turken om de uitvoering van het beraamde vredesverdrag onmogelijk te maken. Hij besloot met te zeggen, dat het onverstandig zou zijn thans den aard der stappen aan te duiden, die wellicht noodig zouden zijn. Wij willen, zeide Curzon, de Turken niet waarschuwen voor iets dat we wellicht zullen doen. Bovendien moet niets worden ondernomen, dat niet met succes kan worden uitgevoerd en daarvoor moeten er voldoende militaire en maritieme maatregelen zijn. Curzon gaf te kennen, dat hij hoopte binnenkort het resultaat van dit optreden te kunnen mededeelen.

Colofon