De Armeense genocide in de Nederlandse pers

Terug naar vorige pagina

Inleiding

Eind negentiende, begin twintigste eeuw was de krant het eerste en enige massamedium. Een aantal maatschappelijke en technologische vernieuwingen lagen hieraan ten grondslag. In de grondwet van 1848 was voor het eerst de vrijheid van drukpers gegarandeerd. De afschaffing in 1869 van de dagbladzegel, een dure belasting op kranten, en de ontwikkeling van de machi-
nale papierfabricage en drukpers hadden kranten voor een steeds breder publiek toegankelijk gemaakt. Daarnaast had de uitvinding van de elektrische telegraaf in 1843 snelle communicatie over grote afstanden mogelijk gemaakt.

Met de komst van de nieuwe vrijheden en technieken kwam er steeds meer nieuws en infor-
matie uit het buitenland. De Nederlandse pers was in haar berichtgeving gematigder dan bijv. de Angel-Saksische en Amerikaanse pers. De oorzaak hiervan ligt enerzijds in het behoudende karakter van de Nederlandse journalistiek en anderzijds in de nauwelijks noemenswaardige positie die Nederland als kleine handelsnatie had in de internationale politiek. Nederland was voor een groot deel economisch afhankelijk van Engeland en Duitsland, twee van de grootste Europese staten. Een aanzienlijk deel van de Nederlandse export ging naar Duitsland, voor wie Rotterdam een belangrijke haven was. Engeland controleerde de vaarroute via het Suezkanaal en de telegraafverbinding met Nederlands-Indië.

De aandacht van de Nederlandse journalistiek voor wat eerst de Armeense kwestie en later de Armeense genocide genoemd wordt is te verdelen in twee perioden. Van 1878 tot de twintiger jaren van de twintigste eeuw wordt het meest gesproken over de "Armeensche kwestie" of de "Armenische gruwelen". Na de stichting van de republiek Turkije luwt de aandacht om gaande-
weg weer terug te keren in de jaren zestig. Omdat deze vorm van massamoord na de Tweede Wereldoorlog juridisch als genocide geclassificeert staat wordt er heden ten dage gesproken van de Armeense genocide. Zoals de Holocaust onlosmakelijk verbonden is met de Tweede Wereldoorlog, is de Armeense genocide dat met de Eerste Wereldoorlog.

Armeense kwestie: 1878 t/m 1930
De Armeense kwestie vloeit voort uit de Oosterse kwestie, de opdeling van het langzaam ineenstortende Ottomaanse Rijk tussen de grote Europese staten van die tijd. Zij vind haar oorsprong in het Verdrag van Berlijn van 1878 dat gesloten werd na een door de Ottomanen verloren oorlog met Rusland. Artikel 61 van dit verdrag beloofde de Armeniërs bescherming tegen roofbenden en wanbestuur van de Ottomaanse overheid. Omdat daadwerkelijke maat-
regelen uitbleven werden de Armeniërs met dit verdrag feitelijk gepolitiseerd en inzet van een imperialistisch georïenteerd diplomatiek steekspel tussen voornamelijk Engeland, Rusland en het Ottomaanse Rijk.

Als gevolg hiervan werden de Armeniërs gestigmatiseerd als interne staatsvijanden en gebruikt als zondebok voor de falende Ottomaanse overheid. Het groeiende nationale bewustzijn van de Armeense bevolking heeft dit proces versterkt. De Armeniërs kregen bloedige vervolgingen te verduren met als dieptepunten de massale pogroms van 1895/1896 en 1909. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in de genocide die plaats vond onder dekking van de Eerste Wereldoorlog waar ook de Arameeërs en Grieken slachtoffer van zijn geworden. Het in 1913 door het Jong-Turkse dictatoriale regime geïnitieerde proces van Turkificatie is voortgezet na de stichting van de re-
publiek Turkije en de huidige positie van christenen vertoont nog steeds frappante raakvlakken met de tweederangs positie van christenen in het Ottomaanse Rijk.

Armeense genocide: 1965 t/m 2008
De term genocide, samengesteld uit het Griekse woord genos (ras, natie of volk) en het Latijn-
se caedere (vellen, doden, vermoorden), is geformuleerd in 1944. De uitroeiing van Armeniërs had de Pool Raphael Lemkin, zelf van Joodse afkomst, geïnspireerd om deze misdaad tegen onschuldige burgers verankerd te krijgen in het internationaal recht. Lemkin, die oorspronkelijk taalwetenschappen studeerde, is hiervoor rechten gaan studeren en heeft in de jaren dertig diverse pogingen gedaan om massale moord op basis van groepskenmerken in internationale verdragen op te nemen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, waarin Lemkin's eigen familie door de nazi's was omgebracht, bleek dit politiek haalbaar. Het Genocideverdrag is in 1948 door de Verenigde Naties aangenomen en in 1951 geratificeerd en van kracht geworden. De Verenigde Naties heeft in 1948 middels een rapport van de United Nations War Crimes Commission er-
kend dat de uitroeiing van Armeniërs door het Jong-Turkse regime tijdens de Eerste Wereld-
oorlog de facto zijn te vergelijken met de Misdaden tegen de Mensheid die zijn begaan door de nazi's tijdens de Holocaust. Sindsdien wordt er gesproken van de Armeense genocide.

In de jaren zestig ontstaat er een hernieuwde belangstelling voor de Armeense genocide. De tweede generatie overlevenden begint zich uit te spreken en uitvoerig onderzoek van onder andere de Armeense wetenschappers Vahakn Dadrian en Richard Hovanissian brengt de genocide weer in de aandacht. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig is het voornamelijk het Armeens terrorisme, één van de gevolgen van de niet nagekomen beloften van Europese staten, dat de publiciteit haalt. De oorlog om de Armeense enclave Nagorno-Karabach in Azerbeidzjan, die begon in 1991 en eindigde in 1994, betekent ook weer de nodige aandacht, waarna er in de jaren negentig geleidelijk aan een nieuw publiek bewustzijn ontstaat over de Armeense genocide als historisch fenomeen.

In het nieuwe millenium wordt er door de eventuele toetreding van Turkije tot de Europese Unie steeds vaker gepubliceerd over de Armeense genocide. Het wetenschappelijk onderzoek verfijnt zich steeds meer en de laatste jaren mag de Armeense genocide zich verheugen op steeds meer (internationale) belangstelling. De ontkenningspolitiek van de Turkse overheid, in combinatie met uitingen van Turks nationalisme brengen de kwestie van de Armeense genocide steeds weer in de publieke aandacht. De commotie rond ontkennende en/of bagataliserende Turks-Nederlandse (aspirant-)Kamerleden tijdens de verkiezingscampagne van 2006 voor de Tweede Kamer en de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink begin 2007 hebben veel publiciteit gegenereerd. Tesamen met andere incidenten heeft dit ervoor gezorgd dat de Armeense genocide als historisch begrip algemeen bekend is geraakt in Nederland.

Naar boven