Terug naar vorige pagina 

ZemZem, februari 2007
Bron: ZemZem

Het verkrampte nationalisme voorbij?
Door Jan Schmidt

Lange tijd werd in Turkije liever gezwegen over de lotgevallen van Armeniërs en Grieken in de nadagen van het Osmaanse Rijk. Sinds enige tijd is er meer openheid. In het Turks verschijnen nu de levensverhalen van Osmaanse Armeniërs en Grieken, inclusief de zwarte bladzijden uit de Turkse geschiedenis.

Een van de meest catastrofale uitvindingen van de romantiek was ongetwijfeld het nationalisme. In het geval van Zuidoost-Europa en het Nabije Oosten was het de belangrijkste ideologische motor, of liever gezegd bom die het eeuwenoude Osmaanse Rijk om zeep hielp. Het rijk werd bewoond door volkeren van zeer verschillende herkomst, religie en taal. Ondanks vergeefse pogingen tegenover de splijtende krachten van deze ideologie een overkoepelende Osmaanse, "multiculturele" ideologie te stellen, ging het rijk uiteindelijk te gronde in het geweld van de late negentiende en vooral vroege twintigste eeuw.

Het doek viel definitief in 1923, met het Verdrag van Lausanne. Naast de Republiek Turkije werd de voormalige westelijke provincie Rumelië definitief verdeeld in de nieuwe staten Hongarije, Roemenië, Joegoslavië, Bulgarije, Griekenland en Albanië, en in het oosten en Noord-Afrika vormden zich een aantal nieuwe semi-gekoloniseerde Arabische staten. In 1948, ten slotte, kwam daar Israël nog bij op het grondgebied van het voormalige Britse Palestina. Buiten de boot vielen de Armeniërs en Koerden, die ondanks eerdere beloften geen eigen staat kregen toegewezen, hoewel de Armeniërs schijnautonomie kregen in een sterk in omvang gereduceerde Sovjetrepubliek.

Een groeiend aantal intellectuelen in Turkije betreurt thans die ontwikkelingen en vraagt zich af wat men indertijd bezielde. Was het idee van een multiculturele staat niet juist iets moois? Was het niet prettig geweest zich Osmaan te voelen? Maar had er wel ooit een Osmaanse identiteit bestaan en zo ja, hoe had die er dan uitgezien?

De opkomst van een Turks nationalisme lag eigenlijk niet voor de hand. Tot in de vroege negentiende eeuw was het woord Turk een scheldwoord voor een domme nomade of boer die een heterodoxe vorm van islam aanhing en een Turks dialect sprak, een taal die in zijn volkse, zuivere vorm als minderwaardig werd beschouwd door geletterden. Dat soort lieden werd principieel uitgesloten van de maatschappelijke bovenlaag. Sinds de vijftiende eeuw werd de bovenlaag in de regel gerekruteerd op grond van devsirme, de knapenoogst. Op de Balkan werden christenjongens geronseld, tot slaaf gemaakt, bekeerd, en opgeleid tot soldaat of bestuurder in dienst van de Grote Heer in Istanbul. Het gevolg was dat de heersende politieke klasse eeuwenlang gedomineerd werd door mannen met een Hongaarse, Servische, Kroatische, Griekse, Albanese, soms ook Russische, Tjerkessische of Tataarse achtergrond. De regerende dynastie mocht dan teruggaan tot het Oghuzisch-Turkse stamhoofd Osman, die leefde rond 1300, de gewoonte van latere sultans om er een uitgebreide harem op na te houden - voornamelijk bevolkt door meisjes gekocht op de slavenmarkt - maakte de dynastie, de "zonen van Osman", tot misschien wel de meest kosmopolitische die er ooit bestaan heeft.

Paradox
In 2004 verscheen van de hand van de Turkse historicus Salih özbaran het boek "Een Osmaanse Identiteit; de Rum(i) factor en zijn verschijningsvormen in de veertiende tot de zeventiende eeuw". In de inleiding wijst hij op de verwarring die ontstond bij de viering van de 700ste verjaardag van het Osmaanse rijk in 1999: wat moest er eigenlijk gevierd worden en door wie? Hoe zat het eigenlijk met de Turkse republiek dat als gastland voor de festiviteiten zou optreden? Was er niet sprake van een paradox? De Republiek had er in haar bevrijdingsoorlog immers alles aan gedaan om zich te emanciperen en te distantiëren van alles wat Osmaans was. In hoeverre was dat eigenlijk gelukt? In hoeverre omvatte het Osmaanse een Turkse of Turkmeense component? Was de Osmaanse cultuur niet veeleer gegroeid uit een mengeling van een Iraans-Seldjoekische en een Grieks-Byzantijnse of wel Rumi-cultuur?

De woorden Rum en Rumi gaan terug op de plaatsnaam Rome, maar worden in het Turks voornamelijk gebruikt om het Byzantijnse Rijk, de Byzantijnen, Klein-Azië en de Osmaanse Grieken aan te duiden. Mehmed de Veroveraar noemde zich bijvoorbeeld keizer van Rum, stelt özbaran, en gaf daarmee aan dat hij zich als opvolger van de Byzantijnse dynastie beschouwde. Was het Osmaanse Rijk niet een "derde Rome"? De term "Memleket-i Rum" (Land van Rum) werd immers soms gebruikt om het land aan te duiden. De aardbeving van augustus dat jaar, 1999, en de aanstaande presidentsverkiezingen overschaduwden indertijd de viering en de discussie werd overgelaten aan locale academici, zo stelt de schrijver vast.

In zijn boek gaat özbaran vervolgens verder met een nadere bepaling van het begrip Rum/Rumi in deelgebieden als literatuur en historiografie. Voor velen was, zo lijkt özbarans conclusie te zijn, het begrip Rum(i) ongeveer identiek met dat van Osmaan(s) of, voor niet-Osmanen, met dat van Turk(s). Kenmerkend voor het Osmaanse Rijk was in ieder geval het volkomen ontbreken van een nationale identificatie in de postromantische zin van het woord. Als de Osmanen zich al iets voorstelden bij hun maatschappij en haar geledingen dan vinden we een vaag besef van sociale klassen. In hun literatuur vindt men termen als hoog-geplaatsen, "midden-mensen" en de kudde, de belastingplichtige "reaya". Niet-moslims, die minder rechten en meer plichten hadden dan moslims, kenden hun eigen gemeenschappen of naties (millets), vertegenwoordigd door de hoofden van hun religies. Taal of etnische afkomst speelde daarbij geen enkele rol. De "gewone" Osmaanse man of vrouw duidde hen over het algemeen simpelweg aan als ongelovigen (gâvur).

Een duidelijk staatsbesef zoals dat in Europa al sinds de middeleeuwen groeiende was ontbrak. Osmanen waren inwoners van een rijk dat onder het bestuur stond van een lid van de dynastie van Osman, zij het vaak niet meer dan in naam. De vorsten droegen de Perzische titel "padisjah", maar ook de Arabische term sultan was gangbaar. De heersende religie was de orthodoxe, soennitische islam volgens de Hanafitische, en meest liberale, rechtsschool. Tolerantie had het rijk groot gemaakt. Zonder medewerking van de locale Byzantijnse adel en boeren, en soms ook dissidente leden van de Byzantijnse keizersfamilie, hadden het Turkse stamhoofd Osman en zijn opvolgers het territorium nooit zo snel kunnen uitbreiden en Constantinopel kunnen onderwerpen.

Het rijk kende geen nationale taal, hoewel het Turks in allerlei gedaanten van literaire complexiteit en vol Perzisch-Arabische leenwoorden de taal van het bestuur was. Arabisch bleef de taal van de sterk door de religie geïnspireerde wetenschap, en Perzisch de taal van de mystiek, de soefi-orden en de klassieke Perzische literatuur die door Osmaanse geletterden bewonderd, geïmiteerd en vertaald werd tot in de twintigste eeuw. Grensoverschrijdende voorbeelden zijn er te over, in toenemende mate gedurende de negentiende eeuw toen alle Osmaanse onderdanen gelijke rechten voor de wet verkregen: islamitische mystici (soefi's) die christelijke heiligen vereerden, Osmaanse christenen die in de hoop op genezing het graf van een soefi-sjeik bezochten, Turkssprekende Grieken die boeken publiceerden in het Turks maar gedrukt in het Griekse schrift, en bijvoorbeeld een in de vroege twintigste eeuw beroemde café-artiest in Thessaloniki, gespecialiseerd in het traditionele Osmaanse repertoire, die de hybride naam Baruch el Dondurmadji (Baruch de IJscoman) droeg.

Niettemin waren deze aspecten van vermenging nog geen bewijs van een door iedere Osmaanse onderdaan gevoelde identiteit. Men kan de traditionele Osmaanse maatschappij misschien nog het beste vergelijken met het verzuilde Nederland van de jaren vijftig: bevolkingsgroepen van verschillende religie en cultuur leefden naast elkaar en nauwelijks met elkaar. Zo waren er nauwelijks gemengde huwelijken en had iedere zuil haar eigen culturele en literaire leven, hoewel een verwestersing van een deel van de stadsbewoners in de loop van de negentiende eeuw meer ontmoetingskansen tussen leden van de verschillende zuilen in bijvoorbeeld theater en concertzaal creëerde.

Helaas werd deze kosmopolitische ontwikkeling in de twintigste eeuw wreed verstoord door het geweld van het nationalisme. Dat vond steeds meer aanhang onder de verschillende volken op de Balkan, de Grieken en ten slotte de Turken zelf, of wie zich maar wensten te identificeren met deze volkeren, ook al was zijn of haar etnische afkomst een geheel andere. Zo heette bijvoorbeeld één van de theoretici van het Turkse nationalisme, Tekin Alp, eigenlijk Moise Cohen. Hij was geen etnische Turk, zoals zijn geadopteerde naam doet vermoeden, maar een telg van een joodse familie uit Thessaloniki. Zijn broer was er rabbijn.

Monster
Het veelkoppige monster van het nationalisme maakte het mozaïek uiteindelijk kapot en sorteerde de nog hele stukjes op kleur. Tegenwoordig noemen we dit etnische zuivering. Op de huiveringwekkende en vaak bloederige aspecten van dit proces zal ik hier niet ingaan, maar het resultaat was dat in Anatolië en Thracië rond 1925 één staat tot stand kwam, de Republiek Turkije. Daarin, zo wilde de Kemalistische staatsideologie, woonde één volk, de Turken, vrij van klassenverschillen of etnische minderheden, dat één taal sprak, namelijk zuiver (Turkije-)Turks, en dat in de beslotenheid van zijn privé-leven één godsdienst aanhing, de soennitische islam.

Hoewel Turkije in 1923 bij het Verdrag van Lausanne zich verplicht had niet-moslimse minderheden te beschermen, wist zij te vermijden dat moslimse minderheden zoals Koerden en alevieten zelfs maar werden genoemd. Vrijheid van taal en religie, hoewel vastgelegd in hetzelfde verdrag, werd opzettelijk veronachtzaamd; in 1923-24 werden er immers nog zo"n miljoen orthodoxe Grieken (die vaak geen Grieks meer spraken) uit Anatolië verdreven. Ook nu nog moet een buitenlander die een verblijfsvergunning aanvraagt op formulieren zijn religie invullen, ondanks dat Turkije officieel een seculiere staat is. Een nieuwe kerk bouwen op Turkse grond is nog steeds vrijwel onmogelijk.

De nieuwe nationale Turkse identiteit bracht ook een herschrijving van de geschiedenis met zich mee: het aanprijzen van de Centraal-Aziatische Turkse beschaving als de oercultuur van de wereld, het benadrukken van vermeende authentieke Turkse aspecten van de Osmaanse cultuur en literatuur, het verkondigen van de opvatting dat de glorieuze Osmaanse geschiedenis een Turks nationaal project was geweest, en het verzwijgen van de onaangename kanten van de recente geschiedenis. Daarnaast ging de staat over tot het herbenoemen van de geografische ruimte, waarbij plaatsnamen verturkst werden. Zelfs de minderheden werden met terugwerkende kracht tot Turken gebombardeerd. Dit gold niet alleen voor de Koerden die tot voor kort officieel als Bergturken werden aangeduid, maar ook voor antieke volkeren zoals de Soemeriërs en Hittieten die als proto-Turken werden ingelijfd en voor kleine groepen Grieken en Armeniërs die de verschrikkingen van de afgelopen jaren hadden overleefd en de Turkse nationaliteit hadden aangenomen.

In zijn recent gepubliceerde memoires schrijft Sarkiz çerkezyan, een nazaat van een Armeense familie uit Talas bij Kayseri en geboren op 15 mei 1916 in een kamelenstal in de Syrische woestijn, dat het leraren op de Armeense school in Kumkapi verboden was iets over de Armeense geschiedenis te vertellen. Leraren die het verbod overtraden werden zonder pardon ontslagen. Dit was rond 1930. Op de school was een leraar Turks, Emin Bey, die op een keer in de klas zei: "Er bestaat niet zoiets als een Armeniër, jullie zijn allemaal Turken." De familie was in de pogroms van 1915 verdreven en grotendeels omgekomen, maar Sarkiz was ondanks alle tegenwerking na de oorlog met zijn ouders teruggekeerd.

Repercussies
Het nationalisme en de Kemalistische staatsideologie waren tot voor kort zo rigide, dat ook bepaalde gebeurtenissen uit het recente verleden werden doodgezwegen. Openlijke discussie kon leiden tot ernstige repercussies. Het bekendste geval is de Armeense genocide van 1915, waar ook in Nederland onlangs weer veel over te doen is geweest. De Turkse historicus Taner Akçam was één van de eerste Turken die serieus, en vanuit een zo onbevooroordeeld mogelijk perspectief, onderzoek deed naar het Turkse nationalisme, de Armeense kwestie, de volkerenmoord en de processen die onder druk van de geallieerden na de Eerste Wereldoorlog in het Osmaanse Rijk gevoerd werden. Hij kwam tot de conclusie dat er inderdaad sprake was geweest van genocide en niet slechts van onbedoelde "collateral damage" ten gevolge van oorlogshandelingen, zoals de officiële versie luidt. Dit deed hij in Hamburg, waar hij als politiek vluchteling – hij wist te ontsnappen uit een gevangenis waar hij als politieke dissident een straf van tien jaar uitzat – in 1978 een goed heenkomen had gevonden en onderzoek deed naar geweld en marteling in de Turkse geschiedenis. Hij heeft er op gewezen dat merkwaardig genoeg in de eerste jaren na 1915 het taboe op de Armeense uitroeiing in het geheel niet bestond. Zelfs Atatürk sprak in 1920 in een toespraak tot het parlement van massamoord (het woord genocide was nog niet in zwang) en een laffe daad georganiseerd door het regerende Comité van Eenheid en Vooruitgang dat tot 1918 aan de macht was. Verschillende leden van het Comité werden later door Armeniërs vermoord. Ook nu nog komt de term genocide in de meeste publicaties die uitkomen in Turkije niet voor. In een voetnoot in het wetboek van strafrecht wordt het noemen van het woord genocide in dit verband strafbaar gesteld met tien jaar gevangenis.

Hoewel er onder Europese druk enige beweging ten goede is waar te nemen, zijn de tegenkrachten nog sterk. Een academische conferentie over de Armeense kwestie die in mei 2005 aan de Bosporus Universiteit in Istanbul zou worden gehouden werd geannuleerd, nadat de Turkse minister van Justitie sprak over "verraad" en "anti-Turkse propaganda" (uiteindelijk kon deze toch plaatsvinden in september dat jaar aan de Bilgi Universiteit). Nadat de schrijver Orhan Pamuk in hetzelfde jaar opmerkte dat er een miljoen Armeniërs waren gedood in Turkije, vonden er demonstraties plaats. En nog steeds kan een nationalistische advocaat als Kemal Kerinçsiz processen op gang brengen tegen in zijn ogen landverraders als de schrijfster Elif Safak, die het in haar roman "The Bastard of Istanbul" waagde een personage kritische opmerkingen in de mond te leggen over het verzwijgen van de Armeense genocide.

Niettemin zijn er tekenen die tot enig optimisme kunnen stemmen. Christopher Bellaigue wees er vorig jaar in een artikel in de "New York Review of Books" al op dat men thans in Turkije boeken kan kopen waarin de realiteit van de genocide niet wordt ontkend en memoires waarin het verschrikkelijke gedrag van Osmanen uitgebreid wordt beschreven. Ik noemde al de memoires van Sarkis çerkezyan, maar er zijn nog meer voorbeelden. In 2004 publiceerde Fethiye çetin "Anneannem" (Mijn oma) over haar Armeense grootmoeder die werd gered door Turken. Dit boek werd zelfs een bestseller en beleefde meerdere drukken. Erhan Basyurt publiceerde de onthullingen van andere nazaten van slachtoffers die op de conferentie aan de Bilgi Universiteit over hun familiegeschiedenis hadden gesproken in een boek over Armeense adoptiekinderen "en hun verborgen gebleven levens". Niettemin eindigt dit boek met een interview met Hikmet özdemir, directeur van het centrum voor Armeense studiën van het officiële Turkse Instituut voor Geschiedenis. In het interview zegt hij dat men niet kan spreken van genocide. Volgens hem is de term ontsproten aan Engelse oorlogspropaganda. Hoogstens was er sprake van een deels uit de hand gelopen gedwongen volksverhuizing, op gang gebracht nadat duidelijk was geworden dat Osmaanse Armeniërs in 1914 een delegatie naar Sint Petersburg hadden gestuurd met het verzoek een te ontketenen opstand in Oost-Anatolië met wapens te steunen.

In 2005 werden de herinneringen van Manuel Kirkyasaryan gepubliceerd onder de titel "M.K." Adli çocugun Tehcir Anilari; 1915 ve Sonrasi. Hij werd op zijn negende met zijn ouders uit Adana verdreven. Nadat hij zijn vader en moeder had verloren - zijn moeder wierp zich ten einde raad in een rivier, de Murad irmagi in Noord-Irak, en zijn vader vond hij de volgende morgen dood op de grond waarop zij hadden geslapen - wist hij met moeite te overleven. Na enige dagen werd hij meegenomen door Koerden en als slaaf geëxploiteerd. Hij wist te ontsnappen en zwierf jarenlang rond in de grensstreek tussen het huidige Turkije, Irak en Syrië en was getuige van de meest verschrikkelijke roof- en moordpartijen. Ten slotte vestigde hij zich in Australië, waar hij in 1980 in het Turks zijn levensverhaal aan Baskin Oran vertelde. Hij stierf in 1997 in Sydney, 91 jaar oud.

Ook in 2005 verscheen tenslotte het uit het Armeens vertaalde dagboek van de uit Izmir afkomstige arts Garabet Haçeriyan, "Bir Ermeni Doktorun Yasadiklari; Garabet Haçeriyan"in Izmir Güncesi". Het dagboek, in het bezit van een oom van zijn in Canada wonende kleindochter en bezorgster Dora Sakayan, werd in 1995 voor het eerst gedrukt in de oorspronkelijke taal, het Armeens, en vervolgens in het Engels, Frans en andere talen. Het beschrijft de dramatische dagen van de grote brand van Izmir van 28 augustus tot 23 september 1922. Haçeriyan beschrijft onder andere hoe hij wanhopig door de stad zwerft, nadat de Armeense wijk in vuur en vlam was geraakt, hoe hij zes angstige dagen in de gevangenis doorbrengt en ten slotte weet te ontsnappen naar het eiland Lesbos.

Grieken
Hoewel de Armeniërs misschien wel het ergst te lijden hebben gehad, hebben ook de Grieken hun portie sores gehad. Ook hierover verschijnen in Turkije nu boeken, die verhalen over de traumatische ervaringen van de Grieken die gedwongen werden Anatolië te verlaten. Daarbij wordt de dubieuze rol van de Turken niet onder stoelen of banken gestoken. Een voorbeeld is een bloemlezing van ervaringen van Griekse landverhuizers, gepubliceerd door Herkül Milas. Het bevat onder andere het verhaal van de Griekse soldaat Panajotis Marselis die op weg naar Manisa in augustus 1922 terechtkwam achter de linies van de snel oprukkende Turkse troepen. Hij besloot zijn uniform uit te trekken en zocht een goed heenkomen in het huis van zijn ouders in Izmir. Toen er brand uitbrak in de wijk Tabakhane rond de kerk van de Heilige Dimitrios, zag hij dat brandweerlieden het vuur aanwakkerden en dat agenten mensen vermoorden die aan de vlammen trachtten te ontsnappen. Turken schoten zelfs op mensen die hun vege lijf trachten te redden door in het water van de haven te springen. Niet lang daarna werden Marselis en zijn broer gearresteerd en de volgende dag met zo"n 5000 lotgenoten afgevoerd door de Turkse en joodse wijken van de stad die door het vuur gespaard waren gebleven. "De joden behandelden ons nog slechter dan de Turken," merkt hij op. "Onder de 5000 waren 50 priesters. Ze begonnen hen als eersten te doden. Vervolgens kwamen we aan in Kukluca (een dorp ten oosten van Izmir)." Van daar werden Marselis en zijn broer afgevoerd naar de Syrische grens, waar zij gedwongen werden aan de wegen te werken. Het was een wonder dat ze dit alles overleefden.

Marselis getuigt van voordurende doodsbedreigingen, berovingen, en stokslagen die zij ondergingen van de kant van de locale bevolking; ergens onderweg werden zijn gouden vullingen met een tang uit zijn kiezen gebroken. En al die tijd leden zij honger en dorst. Uiteindelijk kwam er een eind aan deze verschrikkingen toen zij in 1923 in het kader van de uitwisseling der volkeren konden vertrekken naar Griekenland. Deze uitwisseling betekende echter niet dat er nu geen Grieken meer in Turkije woonden, ook al omdat Istanbul van de uitwisseling was uitgesloten. En hoewel er officieel geen minderheden meer in het land woonden, nam de Turkse regering tijdens de Tweede Wereldoorlog haar kans waar om de resterende "ongelovigen" financieel uit te kleden en hun werkkracht uit te buiten in concentratiekampen. Menige Griek, jood en Armeniër zwoegde jarenlang onder het mom van militaire dienst in werkkampen waar velen aan ontberingen stierven, zoals ook çerkezyan aan den lijve ondervond.

Het dieptepunt van deze politiek was wel het opleggen aan kapitaalkrachtigen van een extra vermogensbelasting, "varlik vergisi", in november 1942. Omdat niet-moslims nog steeds een belangrijk deel van de commerciële klasse uitmaakten, trof de maatregel deze bevolkingsgroep het hardst. Bovendien werd in het geheim besloten dat de "ongelovigen" tien maal zoveel moesten betalen als moslims en buitenlanders. Speciale commissies berekenden de hoogte van de heffing, er moest binnen twee weken worden betaald, er was geen beroep mogelijk en inbeslagname en verkoop van onroerend goed behoorde tot de sancties. Velen werden geruïneerd en zij die niet konden betalen verdwenen achter het prikkeldraad van een werkkamp in Askale bij Erzurum. Van de 2057 mannen, bijna uitsluitend niet-moslims, die er te werk werden gesteld bij de aanleg van een weg, stierven er 25 aan ontberingen.

Onder buitenlandse druk zag de regering zich uiteindelijk in maart 1944 gedwongen de uitvoering van de wet te stoppen. Ook aan dit schandaal wordt nu in Turkije aandacht besteed. De econoom Ridvan Akar wijdde er in 1999 een boek aan dat twee herdrukken beleefde, "Askale Yolculari; Varlik Vergisi ve çalisma Kamplari". Hij aarzelt niet om te spreken van economische genocide. De auteur van een eerdere studie hierover uit 1951, Faik ökte, werd toentertijd beschuldigd van landverraad en een blik op het internet maakt duidelijk dat de Turkse gemoederen op dit punt nog niet tot rust zijn gekomen.

Een volgende slag die zowel Grieken als Armeniërs trof, waren de rellen in de nacht van 6 op 7 september 1955. çerkezyan wijdt er een apart hoofdstuk aan. Nadat de regering Menderes naar aanleiding van de zoveelste Cyprus-crisis en het ontploffen van een bom bij het Turkse consulaat en vermeend geboortehuis van Atatürk in Thessaloniki 'spontane" studentendemonstraties op touw had gezet in Istanbul, brak een ware pogrom uit. Wraakzuchtige en gewelddadige Turkse "hooligans" trokken door de straten van de stad om ongelovigen een kopje kleiner te maken. çerkezyan schrijft:

"Ik woonde indertijd in de Gençaga Straat in Yedikule... Mijn zoontje was pas zes maanden oud. Er woonden in die jaren veel Grieken in Yedikule. Ik maakte me ernstige zorgen, sloot direct de winkel [in Kumkapi], en holde naar huis, samen met de anarchist Nevzat... Onderweg verloor hij een hak van een van zijn schoenen. Ik ging door de voordeur naar binnen. Ik keek, de herrie was al begonnen op de hoek van onze straat. Mijn moeder was hoogst verbaasd. "Wat gebeurt er, zijn ze weer dol geworden, waarom nu?" Ze had nog helemaal van niets gehoord. Ik legde de situatie uit. We haalden een vlag te voorschijn om uit het raam te hangen. Ik zei tegen mijn vrouw Agavni en wijlen [mijn moeder]: "Neem het kind en ga naar boven." Mijn moeder bond een witte doek waar een gepaste tekst op was geschreven en die zij van een moslimvrouw had gekregen om haar hoofd. Ons lieve vrouwtje wist wat men moest doen omdat zij dergelijke gebeurtenissen al eerder had meegemaakt. Wij deden vervolgens de deur en het raam open. De wijkbewoners kenden de huiseigenaar, maar wisten niet wie ik was omdat ik pas verhuisd was. Ik had een tweesnijdend mes, en nadat ik het op mijn borst had bevestigd, zette ik een stoel voor de deur, en ging zitten. De leider van de plunderaars had een Turkse vlag als een servet om zijn nek gebonden en liep voorop, de groep kwam achter hem aan. Overal waar ze naar binnen gingen werd alles vernield en naar buiten gesmeten. De hele straat lag vol kapotte spullen, stukken bed, dekens, van alles... Ze vielen niet alleen Griekse huizen aan, maar de huizen en winkels van iedereen waarvan ze wisten dat het christenen waren, en plunderden die. Het zijn allemaal ongelovigen, het maakt geen enkel verschil, zo redeneerden ze... Op dat moment kwam er een vrouw uit haar huis, slaakte kreten en verdween huilend in een zijstraat. Nog een jonge vrouw; wat ze de vrouw hadden aangedaan weet ik niet. Ze staken de Griekse kerk in de Yedikule straat in brand. De vonken kwamen recht op ons huis af."

çerkezyan wist een van de bendeleiders wijs te maken dat hij een Turk was en zijn huis, dat hij had gehuurd van een Armeniër, werd verder met rust gelaten. "Als ze hadden geweten dat ik een Armeniër was, had hij mij niet vrijuit laten gaan. Er verzamelden zich enige plunderaars voor onze deur, mijn moeder kookte koffie voor ze, en op de manier waarop moslimvrouwen dat doen deelde ze de koffie rond." 's Avonds kwam de politie en verspreidden de plunderaars zich, meevoerende wat van hun gading was. çerkezyan werd geprezen door de commandant, die geen tijd had om koffie te drinken: "Ik feliciteer je, iedere Turk zou moeten zijn zoals jij."

Eenzijdig
In veel Turkse publicaties over de laat-Osmaanse en vroeg-Republikeinse periode komen minderheden overigens nauwelijks ter sprake. In een compilatie van 32 autobiografische passages over de stad Trabzon tussen 1860 en 1950 die is samengesteld door Mehmet Akif Bal onder de titel "Hatiralarda Trabzon"un Yakin Tarihi (1860-1950)" , komt niet één lid van de Griekse of Armeense minderheden aan het woord, wel een Duitse ambassadeur en twee Russen. Armeniërs of Grieken worden wel af en toe genoemd, maar meestal in een ongunstige rol. Als er in dit boek al slachtoffers waren van de oorlogshandelingen of de Russische bezetting in 1916-18, dan waren het Turken. Zo bevat het boek een bijdrage van Muzaffer Lermioglu over zijn vlucht uit Akçaabat, een dorp bij Trabzon, in maart 1916. Men kan natuurlijk niet ontkennen dat ook veel Turken te lijden hadden onder geweld van de zijde van wraakzuchtige Armeniërs of Grieken (met name na de oorlog in de periode 1918-20), maar de lezer had ook graag iets gehoord van de andere kant.

Een zelfde eenzijdige benadering kenmerkt Ali Gülers boek "Yakin Tarihimizde Pontus Meselesi ve Rum-Yunan Terrör örgütleri". Het boek, verschenen in 1995, behandelt de Pontus-kwestie en de Griekse terreurorganisaties en is opgedragen aan "de heilige (aziz) en heldhaftige kinderen van de Turkse natie die vanaf 1821 tot aan de dag van vandaag hun leven hebben verloren ten gevolge van de Griekse terreur op de Balkan, in Anatolië en op Cyprus". Een meer uitgebalanceerd beeld vindt men in Georgios Nakracas" "Anadolu ve Rum Göçmenlerin Kökeni" uit 2000, in Turkse vertaling gepubliceerd in 2005. Het boek beoogt allerlei wilde, nationalistische claims met koele cijfers tot historische proporties terug te brengen, bijvoorbeeld het idee dat de oostelijke Zwarte-Zeekust, de Pontus, altijd in meerderheid door Grieken werd bewoond. Van de in totaal 585.751 inwoners van de 'sandjak" Trabzon waren er in 1912 404.656 Turks, 157.774 Grieks en 26.321 Armeens, zo stelt Nakracas nuchter vast.

Recente Turkse publicaties die de Armeniërs, Grieken en ander minderheden noemen of tot onderwerp hebben confronteren de lezer overigens niet alleen met de schaduwzijden van het uiteenvallende Osmaanse rijk. Zo mogen vertalingen van Griekse romans met een Osmaanse of Turkse invalshoek zich in een zekere populariteit verheugen. Ik noem hier "Haci Manuil", met Turkse subtitel "Wat gebeurde er allemaal in Beykoz"?", van de in Istanbul geboren Thrasos Kastanakis dat oorspronkelijk in 1956 verscheen en in 1995 in Turkse vertaling. Een recenter werk is Giannis Xanthoulis" "O Tourkos ston Kipo" uit 2001, in het Turks verschenen als "Bahçede Bir Türk" in 2005. Het boek heeft als belangrijke verhaallijn de wederwaardigheden van - om het maar heel kort samen te vatten - "verturkste" Grieken in Edirne (Adrianoupoli) en "vergriekste" Turken, of liever gezegd Osmanen, in Kifisia, een buitenwijk van Athene. Onder die wederwaardigheden behoort een weer tot leven komen van herinneringen, of op magische wijze verbeelde herinneringen, of zelfs de andere taal, uit het verleden. Zo fluistert Iliyas, een kleine jongen, "bedankt [efcharisto]," nadat hem een ijsje is aangeboden, terwijl eigenlijk de woorden tesekkür ederim in zijn mond "bleven rondwaren". Xanthoulis is geboren in Alexandroupolis (Dedeagaç) in West-Thracië vlak bij de Turkse grens en schijnt zich sinds 1998 toegelegd te hebben op de studie van het Turks.

Literatuur
Voor lezers geïnteresseerd in het wel en wee van Armeense en Griekse bewoners van het negentiende-eeuwse Istanbul is ook de Turkse literatuur uit die periode interessant. In 1986 werd een versie in Latijns schrift gepubliceerd van het oorspronkelijk in het Grieks schrift verschenen "Temasa-i Dünya ve Cefakâr-u Cefakes" (Het theater van de wereld, kwelgeest en gekwelde) van Evangelinos Misailidis uit 1872. Het werd onder de moderne hoofdtitel 'seyreyle Dünyayi" (Beziet de Wereld) bezorgd door Robert Anhegger, Osmanist en groot verzamelaar van "Karamanlidika", Turkse publicaties in Grieks schrift. Anhegger dacht toen dat ging om de allereerste roman die ooit in het Turks was geschreven. Inmiddels weten we dat die eer toekomt aan Hovsep Vartan Pasa's, want al in 1851 verscheen in het Armeens schrift zijn roman "Akabi". Een herdruk in Armeens schrift in 1979 in Jerevan bleef in Turkije onopgemerkt. Het boek werd in 1991 weer tot leven gewekt voor Turkse lezers door een editie in Latijns schrift bezorgd door de Osmanist Andreas Tietze.

Naast romans vinden ook andere Griekse werken die het Osmaanse verleden belichten aftrek. Tot de meest interessante en ook vermakelijke boeken over de wereld van de Osmanen in de negentiende eeuw die ik ken, tenslotte, behoren de memoires annex familiegeschiedenis van Yorgo Zarifis (Zarifi) uit 1938, "Oi Anamniseis Mou – Enas Kosmos Pou Efyge", (Mijn herinneringen – een wereld die vervluchtigd is), in 2005 in Turkse vertaling verschenen als "Hatiralarim". De familie Zarifi, rijk geworden in zaken en het bankwezen, vestigde zich in 1786 in Istanbul. Het boek schetst de verdwenen wereld van het oude Istanbul, het dagelijks leven in de grote familiehuizen in Fener en later in Beyoglu (Pera), de hebbelijkheden en onhebbelijkheden van ooms en tantes, neefjes en nichtjes, de aardbevingen, de desastreuze branden die de Osmaanse hoofdstad regelmatig troffen, boottochtjes op de Bosporus en het idyllische buitenleven in Tarabya (Therapia) en Büyük Ada (Prinkipo) waar de familie huizen bezat. Ook wordt de lezer af en toe meegevoerd naar Parijs, Marseille, Londen, Athene en Odessa waar familieleden soms tijdelijk woonden.

Het familiehuis in Pera werd uiteindelijk in 1922 verkocht. Het herbergt thans een restaurant genaamd Zarifi waar naast Griekse ook Armeense, joodse en andere Osmaanse specialiteiten op het menu staan zo leert het internet. Yorgo Zarifis verhuisde naar Athene waar hij in 1943 stierf. Het buitenhuis in Therapia bleef nog tot 1954 in familiebezit.

Intieme relaties
In verschillende passages belicht Zarifi de intieme relaties met de regerende dynastie. Nadat Sultan Abdülhamid II in 1876 de troon bestegen had en de grondwet had opgeschort ten einde zelf ongehinderd te kunnen regeren, zo schrijft Zarifi, werden de goede betrekkingen tussen de vorst en zijn grootvader er niet minder om en bleef de sultan hem consulteren.

"Zarifi bleef geloven dat zowel het Turkse als het (Osmaans-) Griekse [Rum] volk gered zouden zijn met een welwillende vorst. De vriendschap van de sultan voor mijn grootvader maakte dat aller ogen op hem, mijn grootvader, gericht waren. Mijn grootvader was iemand die tot in de kleinste details van werkelijk alles op de hoogte was. Maar hij wilde niets voor zichzelf. Hij accepteerde geen medailles of ordetekenen. Maar dit gold niet voor zijn vrouw... Het was gedurende deze jaren dat de sultan voor het eerst onderscheidingen begon toe te kennen aan vrouwen, de Sjefkat-medaille. De eerste drie christelijke vrouwen die deze grote onderscheiding kregen waren Lady Dufferin, vrouw van de Engelse ambassadeur, de vrouw van Alexandro Karatheodoris Pasja, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, en mijn grootmoeder. Herhaaldelijk zei de sultan tot mijn grootvader: "Word toch onderdaan, dan zal ik je vizier maken." Maar mijn grootvader wilde uiteindelijk zijn Griekse nationaliteit niet opgeven. Iedere morgen als hij, om naar zijn kantoor te gaan, uit zijn kamer beneden kwam, werd hij in de hal geconfronteerd met een grote groep mensen die wachtten om mijn grootvader te vragen te bemiddelen ten einde de problemen op te lossen die zij met Turken hadden. Onder die mensen bevonden zich soms ambassadeurs van de Grootmachten die mijn grootvader verzochten in hun zaken te interveniëren! Mijn vader gaf hun altijd zo"n soort antwoord: "Als u mij ervan kunt overtuigen dat hetgeen u vraagt het rijk tot nut strekt, zal ik er voor zorg dragen met de sultan te spreken"

Ook de schrijver zelf had eens gelegenheid de sultan te ontmoeten en zijn hand te kussen. Het was op een officiële receptie ter gelegenheid van de ramadan waar ook de leiders van de niet-moslimse gemeenschappen werden ontvangen. "Ik ging er samen met mijn leraar Frans naar toe," zo schreef Zarifi, "en we kregen een heel goede plaats precies tegenover de troon". Maar de relatie tussen de Zarifi's en de sultan bekoelde later vanwege allerlei geldkwesties, en eindigde tenslotte onder zijn opvolger, Mehmed V Resad. Deze ontving de vader van de auteur na zijn troonsbestijging in 1909. Hij verontschuldigde zich tegenover hem voor het gedrag van zijn oudste broer Abdülhamid II en zei tenslotte dat hij hem, Zarifi, zou aanbevelen als adviseur bij zijn minister van Financiën. "Mijn vader sprak daarna niet meer met Mehmed V noch stond hij zichzelf toe zich bezig te houden met de financiële zaken van de Jong Turken," zo concludeerde de schrijver.

Waren de Zarifis nu Osmanen of waren zij Grieken? Of beide? En zo eindigen we weer met de intrigerende vraag waar ik mee begon: die over de Osmaanse identiteit...

Jan Schmidt is docent Osmaanse Studiën aan de Universiteit Leiden. Dit artikel bevat de tekst van een lezing gehouden op 1 december 2006 voor de sectie Nieuwgrieks, Universiteit van Amsterdam.