Terug naar vorige pagina
De Volkskrant, 4 november 2000
Bron: de Volkskrant
Holocaust in Armenie
Door Joris van Cammelbeeck
De uitroeiing van de joden in de Tweede Wereldoorlog heeft zich vastgezet in het collectieve geheugen. De massamoord op de Armeniers in 1915 is lange tijd vergeten. Wanneer het Turkse optreden alsnog tot genocide wordt bestempeld, blijft de herinnering aan een bijna verdwenen volk wakker.
"Wie herinnert zich de Armeniers", zei Adolf Hitler tijdens een gesprek enkele dagen voor de invasie van Polen. Een van de aanwezigen had zich bezorgd getoond over de vraag hoe de geschiedenis zou oordelen over het lot dat de Fuhrer voor de joden in petto had. Als de dood van naar schatting 1,5 miljoen Armeniers, al of niet veroorzaakt door het Turkse leger in 1915, wel in het wereldgeheugen was blijven hangen, zou Hitler een cynisch argument minder hebben gehad in zijn streven de joden die in zijn machtsbereik kwamen stelselmatig om het leven te brengen.
Herinnering als middel tegen herhaling van volkerenmoord. Toch verhinderde de holocaust niet dat de Hutu's de Tutsi's in Rwanda uitmoordden. En ook niet de moordpartijen in het voormalige Joegoslavie op tienduizenden leden van etnische minderheden.
Wel heeft de holocaust de belangstelling levend gehouden voor de Armeense kwestie. De Armeniers werden, eerst in 1894 en later in 1915, slachtoffer van represailles en deportaties. In de loop der jaren hebben historici en uiteenlopende internationale organisaties zoals de Commissie voor de Mensenrechten van de VN (1985) of de Wereldraad van Kerken (1983) uitgesproken dat er inderdaad sprake was van genocide.
Indruk maakt dat op opeenvolgende Turkse regeringen niet. Of het moet het gelobby zijn van Turkse diplomaten om, zoals onlangs, het Amerikaanse Congres ervan te weerhouden een resolutie aan te nemen waarin over de genocide op de Armeniers wordt gesproken. Met succes, want na zware druk en dreigementen van Turkse zijde kreeg Ankara zijn zin en verdween de resolutie van tafel.
Turkije houdt vol dat de Armeniers destijds, net als andere burgers, slachtoffer zijn geworden van oorlogshandelingen. Wat heet, er was juist een poging gedaan de Armeense bevolking weg te voeren uit hun woongebieden omdat militante volksgenoten gemene zaak maakten met het Russische leger. En daarbij waren natuurlijk doden gevallen, maar van een opzettelijke, georganiseerde massamoord op een bevolkingsgroep was geen sprake geweest. Laat staan van genocide.
Tegen welke historische en politieke achtergrond heeft het Armeense drama zich eigenlijk afgespeeld? En heeft die iets te maken met die stug volgehouden ontkenning van de massamoord op de Armeniers?
Aan het einde van de 19de eeuw is de voorloper van het huidige moderne Turkije, het Ottomaanse Rijk, in staat van ontbinding. Na het verlies van Hongarije in 1699 desintegreert het imperium dat ooit de Balkan, een groot deel van het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft omvat. In de 19de eeuw rukt tsaristisch Rusland op naar de Kaukasus en de Krim, Servie wordt autonoom, Griekenland onafhankelijk en Roemenie erkend als koninkrijk. De Fransen bezetten Algerije, terwijl de Arabische dynastie van de Sauds feitelijk over het grootste deel van Arabie heerst.
Een belangrijke oorzaak van het verval is dat het Ottomaanse Rijk geen eenheidsstaat is in de Europese zin, maar een conglomeraat van religieuze gemeenschappen met de islamieten als dominante meerderheid. Daartussen leven joden en christenen, vooral Grieks-orthodoxen. Maar ook Armeniers, die zich in navolging van hun koning Trdat III in de 4de eeuw massaal tot het christendom bekeren.
De band met het christendom zal hun leven niet gemakkelijk maken, vooral niet nadat het Byzantijnse Rijk onder druk van de islam bezwijkt en deze nieuwe godsdienst het Midden-Oosten gaat domineren. De laatste Armeense koning, Levon V, wordt in 1373 gekroond. Hij regeert nog twee jaar, totdat zijn koninkrijk door Ottomanen wordt veroverd. Hij vlucht en sterft uiteindelijk in 1393 in Parijs.
Het Armeense volk weet zijn culturele en religieuze identiteit onder de Ottomaanse bezetting te behouden en na het einde van de kruistochten en de val van Constantinopel (Istanbul) blijven zij "als een eiland achter in een zee van islamieten", zo noteert de Britse historicus R.R. Palmer. In het veilige hoogland van Karabag, dat eens deel heeft uitgemaakt van het veel grotere Armeense heartland dat stukken van het huidige Turkije en Iran omvatte, weten de Armeniers zich te handhaven.
De eeuwen verstrijken waarin zij deel blijven uitmaken van het Ottomaanse Rijk. Maar met de verzwakking van het rijk steken nationalistische bewegingen de kop op, zo ook onder de Armeniers die in de jaren tachtig van de 19de eeuw een afscheidingsbeweging vormen, waartegen door sultan Abdul Hamid hard wordt opgetreden. Ottomaanse troepen, gesteund door Koerdische eenheden, vermoorden in 1894 duizenden Armeniers en verwoesten ontelbare dorpen. Twee jaar later, na een actie van Armeense nationalisten tegen de Ottomaanse Bank in Istanbul, worden 50 duizend Armeniers gedood door islamitische bendes onder leiding van het leger.
Intussen doen de drie grote Europese mogendheden, Groot-Brittannie, Frankrijk en Rusland, er alles aan hun invloed ten koste van de Ottomanen te vergroten. Omdat zij elkaar niet vertrouwen, verloopt de doodsstrijd van de "zieke man van Europa" tergend langzaam. Het machtsevenwicht in Europa garandeert de heersers aan de Bosporus een ziekbed van twee eeuwen. Aan de doodsstrijd van het Ottomaanse Rijk komt een einde door de Eerste Wereldoorlog, die ontvlamt op de Balkan, een broeinest van nationalistische sentimenten en frustraties na het vertrek van de Ottomanen.
Pogingen van Ottomaanse hervormers in de 19de eeuw hun land te smeden tot een moderne natie naar Europese snit waardoor het geen speelbal meer zal zijn van buitenlandse krachten, lopen op niets uit. Onder de opvolger van hervormer Abdul Aziz (1861-1876), de al genoemde Abdul Hamid (1876-1909), valt het zieltogende rijk terug in oude gewoonten en gaan tienduizenden hervormers (de Jonge Turken) in ballingschap in Parijs, Londen en Geneve.
Abdul Hamid ontwikkelt een niet onbegrijpelijke angst voor complotten en opstanden, vooral door de niet-Turkse minderheden met nationalistische ambities. Armeniers, maar ook Bulgaren, Macedoniers, Bulgaren en Kretenzers die het Ottomaanse gezag tarten, worden onverbiddelijk aangepakt. Van de moord op tienduizenden Bulgaarse boeren in 1875-1876 of de Armeniers in 1894 wordt in Europa met ontzetting kennis genomen.
Debatten in het Britse parlement over mogelijke interventie, zoals vurig bepleit door premier Gladstone, lopen op niets uit. En ook de "gruwelen" tegen de Armeniers worden voor kennisgeving aangenomen, onder meer omdat Rusland en Frankrijk niets voelen voor een politiek waarin humaniteit voorop staat. Maar ook omdat deze Europese mogendheden eigenlijk geen heil zien in een modern Turkije dat zij op basis van gelijkheid zouden moeten behandelen.
Na de opening van het Suezkanaal in 1869 meldt zich een vierde speler op het toneel: Duitsland. Als nieuwe route naar het Verre Oosten is het kanaal van doorslaggevend militair en economisch belang voor Groot-Brittannie en Londen maakt zich dan ook grote zorgen over de bouw en stationering van een Russische vloot in de Zwarte Zee. Het inderhaast door de Duitse kanselier Bismarck bijeengeroepen Congres van Berlijn voorkomt een tweede Brits-Russische oorlog. Maar de problemen die 36 jaar later tot de Eerste Wereldoorlog zouden leiden, worden er niet opgelost.
Voor investeringen, militair materieel en advies wendt de Ottomaanse sultan zich tot Berlijn en er wordt een begin gemaakt met een ambitieus project: een spoorlijn van Berlijn naar Bagdad. Met hun keuze voor Duitsland in de Eerste Wereldoorlog tekenen de Ottomanen hun doodvonnis. In 1915 worden de geallieerden het eens over de deling van Turkije na de oorlog. De Grieken krijgen de kans hun zogeheten "Grote Idee", een Groot-Griekenland aan beide zijden van de Egeische Zee te realiseren. Franse en Italiaanse troepen bezetten delen van Anatolie en Britse eenheden richten zich op Constantinopel, hoewel die stad voor de bolsjevistische revolutie (1917) aan Rusland is beloofd.
Geconfronteerd met een expeditieleger, bestaande uit Britten, Fransen, Australiers en Nieuw-Zeelanders dat (vergeefs) tracht bij de Dardanellen aan land te gaan, Britse pogingen de Arabieren in het Midden-Oosten te mobiliseren en oprukkende Russische troepen in het noordoosten, slaat het Ottomaanse gezag wild om zich heen. De Armeense nationalisten in het Ottomaanse leger - die uit de chaos een onafhankelijke staat hopen te sleuren - lopen over naar de Russische zijde, terwijl Armeniers in de Kaukasus anti-Turkse milities vormen.
Wat de Ottomaanse leiders presenteren als een middel om de onbetrouwbare Armeniers uit een oorlogsgebied te evacueren, wordt door de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau in die dagen omschreven als een deportatie, een "doodvonnis voor een heel volk. Dat begrepen ze heel goed en in gesprekken deden ze geen pogingen dat te verhullen". Onder historici bestaat inmiddels redelijke consensus dat er genocide op de Armeniers is gepleegd.
Terwijl de wereld gespannen de gevechten bij Gallipoli gadeslaat, gelast de door Jonge Turken gedomineerde regering de deportatie van 1,75 miljoen Armeniers naar Syrie en Mesopotamie. Ongeveer 600 duizend mensen komen om door honger, dorst, ziekte of mishandeling. Of worden vermoord door begeleidende militairen en politie. Tussen 1915 en 1922 worden naar schatting een miljoen Armeniers gedood en komen 400 duizend anderen in gevangenkampen om. Enkele honderdduizenden worden in ballingschap gedreven.
Iedere hoop op een eigen staat vervliegt als daarover in het Verdrag van Lausanne (1923) niets wordt vastgelegd. Bovendien heeft Kemal Ataturk na een succesvolle militaire campagne alle vreemde troepen verjaagd en in hetzelfde jaar de republiek Turkije uitgeroepen. De troostprijs, een "onafhankelijke" staat (van de Sovjet-Unie), wordt de Armeniers na twee jaar alweer ontnomen. De herinnering aan hun tragische lot en hun streven de wereld daarvan deelgenoot te maken, is alles dat rest.