Terug naar vorige pagina
De Volkskrant, 29 november 2007
Bron: de Volkskrant
Armeniërs in Istanbul voelen zich bedreigd
Van onze verslaggever Olaf Tempelman
ISTANBUL - Op de stoep waar de Turks-Armeense journalist Hrant Dink in januari werd vermoord, staat een dikbuikige politieagent te roken. De krant die Dink tien jaar lang leidde, Agos, zetelt een paar meter hoger, op de eerste verdieping van een Istanbuls herenhuis uit de vroege 20ste eeuw.
De Turkse regering is druk doende artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht aan te passen, het artikel dat het beledigen van "Turksheid" strafbaar stelt. De Europese Unie dringt daar al jaren op aan. Het artikel zou de vrijheid van meningsuiting beperken. Immers, veel academici, schrijvers en journalisten, onder wie Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk en de vermoorde Turks-Armeense journalist Hrant Dink, zijn aangeklaagd en soms veroordeeld op grond van dit artikel. Terwijl ze in feite niets anders deden dan hun mening te berde brengen.
De naam Agos staat noch op de gevel, noch op de brievenbus. De trap naar de eerste verdieping is in duisternis gehuld. Uit het raam hangt een grote Turkse vlag. "Dat doen we om veiligheidsredenen", zegt de jonge Turks-Armeense journalist Aris Nalci.
"We kunnen grote problemen krijgen als we géén vlag uithangen. Onlangs nam het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden bijna de genocide-resolutie aan waarvoor de Armeense diaspora een lobby voert. Wraakacties van Turkse ultranationalisten zijn voor ons een reëel gevaar."
Agos werd ooit opgericht om dit klimaat te veranderen. In de jaren negentig schreven Turkse kranten dat de Armeniërs in Turkije banden onderhielden met de Koerdische PKK-rebellen; dat er een monsterverbond was tussen twee "anti-Turkse demonen".
Hrant Dink, een van de intellectuele voormannen van de nog amper dertigduizend leden tellende Armeense gemeenschap van Istanbul, vond dat de Armeniërs naar buiten moesten treden om fantasieverhalen de wereld uit te helpen. Het resultaat was Agos, een krant in het Armeens én Turks.
"Ik denk dat we in tien jaar veel hebben bereikt, maar 2007 is een slecht jaar voor Turkije", zegt Aris Nalci. Hij is afkomstig uit een oud Armeens geslacht in Istanbul en is door Hrant Dink als "jonge hond" binnengehaald.
Dink wilde, zoals hij het zelf formuleerde, "de Turks-Armeense relaties uit een 1915 meter diepe put trekken". Daarmee refereerde hij aan de massamoord op de Armeense bevolking van de oostelijke provincies van het Ottomaanse rijk, waarvan Turkije de opvolgingsstaat is. "Het is een diepe pijn die alle achtergebleven Armeniërs in Turkije verbindt", zegt Aris Nalci. "Al onze families zijn in 1915 zo goed als weggevaagd, maar er wordt ontkend dat dit gebeurde in een zorgvuldig voorbereide etnische zuivering."
Dink gebruikte voor de gebeurtenissen van 1915 de term waarop in de officiële Turkse geschiedschrijving een taboe rust: genocide. Het leverde hem drie aanklachten op wegens het "beledigen van de Turkse identiteit".
Toch was Dinks toon – in tegenstelling tot die van de Armeense diaspora in het Westen – doorgaans genuanceerd en begripvol. In 2006 zei hij: "Er zijn Turken die niet willen toegeven dat hun voorvaderen genocide pleegden. Als je hen ziet, zijn het heel aardige mensen. Dus waarom geven ze het niet toe? Omdat ze vinden dat genocide iets afschuwelijks is en ze niet willen geloven dat hun voorouders tot zoiets in staat waren."
Dink werd vermoord door een ultranationalistische puber. "Op zijn begrafenis merkten we hoe geliefd hij was bij veel Turkse inwoners van Istanbul", zegt Aris Nalci. "Honderdduizend mensen liepen uit. Zij droegen leuzen mee als: "Artikel 301 is de echte moordenaar" en "Wij zijn allemaal Hrant Dink."
De oorzaak van de hetze zijn de PKK-invallen vanuit Irak. De dreigende erkenning door de VS van "de doelbewuste moord op 1,5 miljoen Armeniërs", gooit olie op het vuur. De Armeense diaspora voert voor die erkenning al jaren een kostbare lobby. Dankzij een minstens zo kostbare lobby van de Turkse regering is de "genocide-resolutie" voorlopig van de baan. Acht Amerikaanse oud-ministers van Buitenlandse Zaken verklaarden dat de resolutie de Amerikaans-Turkse relaties ernstige schade zal toebrengen.
Wie rond de kerk van het Armeense patriarchaat in Istanbul Armeense inwoners aanspreekt, hoort dat ook zij de "genocide-resolutie" niet willen. De angst is dat zij de prijs ervoor zullen betalen als Turkse ultranationalisten zich gaan roeren. "De lobby van de Armeense diaspora belemmert dat de kwestie hier bespreekbaar wordt", vindt de Turkse commentator Abdülhamit Bilici van de regeringsgezinde krant Zaman. "Hoe meer je tegen mensen zegt "jullie moeten dit en dat vinden", hoe minder ze daartoe geneigd zijn."