Terug naar vorige pagina 

De Volkskrant, 27 januari 2007
Bron: de Volkskrant

Het water vindt zijn spleet in de aarde
Door Hrant Dink

De belangstelling van buitenlandse journalisten, politici en intellectuelen voor Turkije is heviger dan ooit. Hun openingsvragen zijn altijd helder en krachtig: "Welke kant gaat het op met Turkije? Zal het nationalisme toenemen? En zo ja, tot welk type bewind zal Turkije dan afglijden?" Dan volgt de vraag die lieden zoals ik – een Turkse burger en Armeniër – altijd kunnen verwachten: "Zijn jullie, minderheden, bang voor wat komen gaat?"

Het is opmerkelijk dat buitenstaanders die naar Turkije kijken veel ongeduldiger zijn dan de burgers die er wonen. Tot op welke hoogte is dat ongeduld realistisch? Bedenk dat gedurende de hele periode van de moderne republiek, sinds 1923, Turkije een land is waarin veranderingen werden opgelegd van de top naar onderop en waar de dynamiek van onder naar boven niet gemakkelijk tot leven komt. De Turkse samenleving is veel meer gewend verandering te aanvaarden, dan die in gang te zetten.

Dit onwrikbare, structurele karakter heeft het de "diepe staat" – het netwerk van het leger en de veiligheidsdiensten die de werkelijke politieke macht in Turkije uitoefenen – mogelijk gemaakt de drie grote internationale ontwikkelingen van de laatste decennia te overleven.

Ten eerste: de jaren van de Koude Oorlog (van de jaren veertig tot eind jaren tachtig), het conflict tussen de kapitalistische wereld onder leiding van de Verenigde Staten en de socialistische wereld onder aanvoering van de Sovjet-Unie. Die dynamiek van buiten werkte het ontstaan van een radicaal linkse beweging in Turkije in de hand. Maar de staat had een voorkeur voor het westers kapitalisme – wat verder werd versterkt door een reeks militaire staatsgrepen – en de linkse uitdaging werd verpletterd nog voordat die enige kracht kon ontwikkelen.

Ten tweede: de revolutie van de moellahs in Iran (1979). Deze externe gebeurtenis had ook een schokeffect op Turkije. De machthebbers voelden de invloed ervan op de religieuze moslims in Turkije instinctmatig als een bedreiging voor hun bewind en dus als iets dat met alle middelen moest worden tegengegaan.

Ten derde: de Europese Unie (jaren zestig tot heden). Deze dynamiek van buiten is van geheel andere aard dan de eerste twee. Alle elementen van de Turkse samenleving en alle instellingen zijn intern verdeeld over de EU. Politiek links en rechts, seculier en religieus, de staatsbureaucratie en het leger – overal is de situatie eender, overal is er evenveel verdeeldheid over Europa binnen de kampen als tussen hen.

Omdat geen enkel stukje van de Turkse samenleving onverdeeld voor of tegen de EU is, heeft de toenadering een eigenaardig effect: de bestaande tegenstellingen raken op de achtergrond. Als de onderhandelingen over Turkijes toetreding tot de EU de komende tien jaar voortgaan, wordt het dilemma meer en meer het hoofdthema van de Turkse politiek. Elke verandering in de nabije toekomst zal vrijwel elke sector van de samenleving beroeren, met als gevolg frictie alom en waarschijnlijk een hoop irritatie.

Van binnenuit komen daarom andere vragen over Turkijes problemen dan de vragen die worden gesteld door buitenstaanders: "Hoe zal de oligarchische staat, die zo gewend is aan de macht, er mee kunnen instemmen die macht te delen met de EU? Waarom wil die staat zo graag de oude, vertrouwde wereld inruilen voor een onzekere toekomst in Europa? Is het verlangen om westers te worden, of de angst om oosters te blijven?

Het grote taboe Maar de vragen komen niet van een kant. Als aan de EU wordt gevraagd waarom ze Turkije, met een lagere economische en democratische standaard, er zo graag bij wil hebben, komt er een antwoord met een ongemakkelijke waarheid: dat de verhouding tussen Turkije en de EU minder wordt gedreven door wederzijds verlangen dan door angst over en weer.

De militaire elite in de Turkse republiek is waarschijnlijk bang dat Turkije weleens een strategisch belang zal kunnen verliezen als het niet toetreedt tot de EU. En de strategen van de EU zullen wel vrezen dat een Turkije buiten de EU wel eens kan belanden in het vijandige kamp in de "botsing der beschavingen".

Zolang de motor van de angst die van achteren duwt sterker is dan de kracht van het verlangen die aan de voorkant trekt, moet de verhouding tussen Turkije en de EU wel lastig en omstreden blijven bij alle betrokken partijen, niet alleen in Turkije.

Waar angst de overhand heeft, zijn symptomen van verzet tegen verandering overal waarneembaar. Hoe meer sommige mensen zich inzetten voor openheid en verlichting, des te meer anderen hun best doen, uit vrees voor die veranderingen, de samenleving gesloten te houden. In Turkije zijn de rechtszaken tegen Orhan Pamuk, Ragip Zarakolu, Murat Belge, mijzelf en anderen voorbeelden van hoeveel paniek het opbreken van een taboe kan veroorzaken.

Dit is bovenal het geval met de Armeense kwestie: het grootste aller taboes van Turkije, een taboe dat er al was bij de stichting van de staat en dat het symbool is van "de andere kant" van de Turkse identiteit.

In dit klimaat kunnen we onze toevlucht zoeken bij de eerste woorden van ons volkslied: "vrees niet". Ik haalde die woorden aan in een lezing op een conferentie in september 2005 op de Bilgi Universiteit van Istanbul, met als titel: "Ottomaanse Armeniërs gedurende de neergang van het imperium: kwesties van wetenschappelijke verantwoordelijkheid en democratie".

De beste bijdrage die ik kan leveren aan een beter begrip van het moderne Turkije is een stelling die ik op die conferentie naar voren bracht. De verhouding van elk mens tot zijn leefgebied is het wezen van zijn bestaan. Zijn wezen, waaronder dus de gehechtheid aan zijn leefgebied, zit binnenin hem, het is niet iets buiten hem. Als je dit wezen weghaalt uit zijn gebied, al doe je dat op een gouden schaal, hak je het bij zijn wortel af. Deportatie is zoiets. Mensen die drieduizend jaar in dit gebied hadden gewoond, mensen die een cultuur hadden voortgebracht en een beschaving in deze streek, werden losgerukt van de grond waarop zij hadden geleefd, en zij die die daad overleefden werden over de gehele wereld verspreid.

Als de psychologische toestand van dit volk generaties lang wordt beheerst door "de bijl aan de wortel", kun je niet ongestraft doen alsof dat trauma niet bestaat. Die ervaringen zijn geïnternaliseerd, vastgelegd in het geheugen van het volk, diens genetische code.

Hoe heet zoiets? De juridische wetenschap kan er zich het hoofd over breken, maar wat daarvan ook de uitkomst is, wij weten precies wat wij hebben doorgemaakt. Het moet worden gezien, zelfs als ik het woord genocide niet zou kunnen gebruiken, als het vernielen van de wortels. Er kan nu niets meer aan worden gedaan, maar toch moet dit heel goed worden begrepen.

Een overleden vrouw
Ik wil graag met een persoonlijke anekdote van een paar jaar geleden dit "internaliseren van ervaring" illustreren. Een oude Turkse man in een dorp in de streek Sivas belde mij op en zei: "Zoon, we hebben overal gezocht tot we je vonden. Er woont hier een oude vrouw. Ik denk dat ze tot jouw mensen behoort. Ze is overleden. Kun jij een familielid van haar vinden, anders zullen we haar met een islamitische dienst begraven." Hij vertelde me haar naam. Ze bleek een vrouw van zeventig, genaamd Beatrice. Ze was hier op vakantie uit Frankrijk. "Oké, oom, ik zal zoeken", zei ik.

Ik vroeg wat om me heen en binnen tien minuten had ik een naaste verwant gevonden; we kenden elkaar, omdat we met maar zo weinigen zijn. Ik ging naar de winkel van die familie en vroeg: "Kent u de overleden persoon?" Er was een vrouw van middelbare leeftijd daar, ze draaide zich naar mij toe en zei: "Ze is mijn moeder."

Haar moeder, vertelde ze me, woont in Frankrijk en komt drie of vier keer per jaar naar Turkije. Ze blijft maar heel kort in Istanbul en gaat het liefst zo snel mogelijk naar het dorp dat zij vele jaren geleden heeft verlaten.

Ik vertelde de dochter het treurige bericht en ze reisde onmiddellijk naar dat dorp. De dag erop belde ze me van daaruit. Ze had haar moeder gevonden, maar plots begon ze te huilen. Ik smeekte haar niet te huilen en vroeg of ze het lichaam zou meebrengen voor de begrafenis. "Broeder", zei ze "ik wil haar meenemen, maar er is hier een oom die er wat van zegt". Ze gaf de telefoon aan de oom, terwijl ze doorhuilde.

Ik werd boos op die man. "Waarom maak je haar zo aan het huilen", zei ik. "Zoon", zei hij: "ik heb niets gezegd. Ik zei alleen: dochter, het is je moeder, je bloed, maar als je het mij vraagt, zou ik haar hier laten. Laat haar hier worden begraven. Het water heeft zijn spleet gevonden."

Ik stond perplex op dat moment. Ik verloor en hervond mijzelf in deze beeldspraak van het Anatolische volk. Inderdaad, het water had zijn spleet gevonden.

Een dame op die conferentie in Istanbul suggereerde dat het gedenken van de doden zal leiden tot het opeisen van gebied. Ja, het is waar, de Armeniërs verlangen naar deze grond.

En een vroegere president van Turkije, Süleyman Demirel, was gewoon te zeggen: "We zullen nog geen drie kiezelstenen aan de Armeniërs geven."

Ik vertelde het verhaal van de oude vrouw en zei: "Wij Armeniërs verlangen inderdaad naar dit gebied, want onze wortels liggen hier. Maar wees niet bang. We willen de grond niet inpikken, we willen komen om erin te worden begraven."

Hrant Dink was hoofdredacteur van de Turkse-Armeense krant Agos. Hij werd op 19 januari vermoord. Dit artikel schreef hij in december 2005 voor het internetmagazine Opendemocracy.net.