Terug naar vorige pagina 

De Volkskrant, 24 december 1998
Bron: de Volkskrant

Grootmoeder vertelt verschrikkelijke dingen
Door Frank van Dixhoorn

Om het verhaal van zijn leven te schrijven, moest de Amerikaanse dichter Peter Balakian (57) graven in zijn herinnering, naar plaatsen waar hij nooit is geweest en naar mensen die hij nooit heeft ontmoet.

Dit is het landschap van de Turks-Armeense provincie Diarbekir: "De moerbeibongerds waren als groene eilanden waarachter zich de woestijn uitstrekte en alleen de schaduwen van rotsen kleurden de klei donker. De Tigris was blauw en dan bruin, blauw en dan groen, en de watermeloenen die langs de oever groeiden, waren gigantisch. Tussen de olijfbomen ritselden zwarte patrijzen, en soms bleven hun stompe sporen hangen in het ijzerdraad dat losjes om de palen was gewonden en slaakten ze een ijselijke gil."

En dit is zijn Armeense grootvader, tijdens de Eerste Wereldoorlog werkzaam als arts in het Turkse leger: "De avond ligt leigrijs boven Soma en het miezert. De geur van doorweekte tabak hangt drukkend in de vochtige lucht. Mijn grootouders en hun dochter Anna wonen in een klein vurenhouten huis met hun kamers en suite, een paar honderd meter van het ziekenhuis."

Deze en soortgelijke passages komt de lezer tegen in het tweede gedeelte van Het land van mijn grootmoeder. In het begin van het boek, als Balakian zijn jeugd in de slaapsteden van New Jersey beschrijft, ontbreken zulke evocaties van het verleden. In die eerste hoofdstukken is de geschiedenis alleen aanwezig als een soort belofte; grootmoeder maakt Armeense maaltijden klaar en vertelt zeer merkwaardige verhalen, moeders meisjesnaam klinkt toch heel anders dan de andere immigrantennamen en op de meest vervelende momenten zit de jonge Balakian te piekeren over zijn vader of over een ander familielid.

Ze zeggen dingen die hij niet begrijpt, maar die hij ook niet wil horen; ze zijn anders dan de families van zijn vrienden en hij ergert zich voortdurend. De geschiedenis is in deze passages natuurlijk niet weg te denken, maar ze is een goed bewaard geheim, en Balakian is aanvankelijk niet in staat dat geheim te ontrafelen. De lezer ook niet, trouwens.

Naarmate het boek vordert, krijgen we feiten en reportages over de Armeense genocide, die ruim tachtig jaar geleden het leven kostte aan honderdduizenden mensen. Balakian geeft ons verslagen van ooggetuigen, rechtszittingen, officiele stukken, ja, hij neemt zelfs de vrijheid om zich dingen voor te stellen.

De geschiedenis van vaders en moeders familie blijkt zo gruwelijk en zo complex dat je er eigenlijk niet over kunt praten. Gebeurtenissen kun je reconstrueren, maar wat betekent bijvoorbeeld het verhaal van een stel meisjes dat moet dansen voor Turkse gendarmes met zwepen? We krijgen zeer precies te horen wat er gebeurde. De haren van de meisjes klitten aan elkaar door het geronnen bloed en als ze bijna niet meer kunnen, gieten de Turken emmers petroleum over ze uit. De meisjes worden levend verbrand. Balakian laat het verhaal vertellen door een ooggetuige - een nicht van moeders kant.

Maar dat verhaal is niet af, zelfs niet wanneer de vrouw het vertelt in de eerste persoon. Balakian voegt er elementen aan toe. De vrouw wist te ontsnappen naar Amerika, waar ze met haar echtgenoot een kleermakerij en stomerij opende. Haar man en haar dochter stierven beiden aan een hersentumor, het gevolg (denkt de familie) van de giftige dampen van de chemicalien die ze gebruikten in hun bedrijf. Zo komt die vrouw steeds dichterbij, ook voor Balakian zelf. Het is noodzakelijk om haar geschiedenis als het ware zichtbaar te maken, niet als een anekdote maar als een actuele ervaring in het leven van iemand die over haar hoort vertellen. Welke facetten van dit verhaal werken door, waaruit precies bestaat de verwarring, de wanhoop van de toehoorder? Daarom voert Balakian zichzelf ten tonele, daarom is zijn boek zo authentiek. Geen enkel medelijden of rouwbeklag weegt op tegen de nauwkeurigheid van zijn verslag.

Balakian voert die precisie ver door, zeker in het geval van zijn grootmoeder. Met haar beleeft hij zijn jeugd, want zij ontfermt zich over de oudste kleinzoon. Ze heeft altijd zorgen om de jonge Bedros, die zich haar aandacht laat welgevallen, maar soms vlucht naar de televisiekamer om daar een wedstrijd van de Yankees op kanaal 11 te bekijken. Een keer per maand, op vrijdagmiddag, gaat hij bij oma op bezoek in East Orange. Tot in detail beschrijft hij hoe ze samen tsjureg bakken, een zoet brood dat in Armenie werd gegeten. Hij geeft ons de verhalen die oma vertelt en waar hij niets van begrijpt: wat bedoelt ze toch met de zwarte hond van het Lot? Waarom komen er stemmen uit het wijnvat en hoe zit het met de eland die de lever van een zwangere vrouw komt wegzuigen?

Na een middagje winkelen in Manhattan maakt Balakian mee dat zijn grootmoeder in de bus betrokken raakt bij een vechtpartij. Haar hoed is van haar hoofd geslagen door een vent in driedelig pak die inhakt op een nozem; grootmoeder pakt haar eigen stok en verdedigt de nozem: "Vlak voordat de buschauffeur terugkwam in de bus (hij was een andere buschauffeur gaan halen), mepte mijn grootmoeders stok de donkere bril van het hoofd van de man en een moment lang stond hij daar te reikhalzen als een verbaasde schildpad (...). Daar stond mijn grootmoeder, haar zonnebril nog op; haar zondagse hoed was afgeslagen, haar haarspelden waren verschoven en haar knotje zat los."

De jonge Balakian begrijpt niets van het mensje, maar voelt een affectie die niet meer weggaat. Hij laat haar soms in de steek, want hij wil niet met haar naar de World Series kijken, maar met zijn vrienden op het honkbalveldje in de buurt naar een draagbare radio luisteren. Als hij hoge koorts heeft, zit ze bij zijn bed, zonder gebit, in haar witte onderjurk, en vertelt verschrikkelijke dingen: "De Turk had een bijl en een kort mes met een paarlemoeren handvat. Het bloed was warm, toen koud. Ik herkende hem van de soek in Diarbekir. Hij lag op me als een dood dier. Ik zag de dode veren omhoogvliegen naar een blauwe hemel waar mijn vlieger met Pasen had gevlogen. Ik voelde me als een schoot vol blauwe kralen op de marmeren vloer in het Turkse bad."

Oma heeft het allemaal meegemaakt. Ze was opgegroeid in Diarbekir als dochter van een rijke familie, maar ze moest met haar twee kleine dochters op mars toen de Turkse regering in 1915 besloot alle Armeniers op transport te stellen naar een van de meest verlaten en onherbergzame streken in het rijk, de Syrische woestijn. Het huis van haar familie werd in haar afwezigheid platgebrand, alle aanwezige familieleden waren vermoord. De dodenmars overleefde ze, maar eenmaal in Amerika kreeg ze een zenuwinzinking en moest ze worden opgenomen. De Japanse aanval op Pearl Harbor doet haar belanden in een donkere periode van angst en waanbeelden, waaraan alleen door shocktherapie een eind kan worden gemaakt.

Als Balakian begrijpt wie zijn grootmoeder was, is ze al dood. Hij kan niets anders doen dan verder zoeken, al zijn andere familieleden terughalen uit de vergetelheid. Het is een verschrikkelijk werk, een bevestiging van wat Ralph Waldo Emerson honderdvijftig jaar geleden schreef: strikt genomen is er geen geschiedenis, alles komt neer op biografie. De verhalen die Balakian vertelt staan niet op zichzelf. De gebeurtenissen van 1915 hebben niet langer een plaats in het geheugen, maar in de realiteit van dit leven, van hier en nu.