Terug naar vorige pagina 

De Volkskrant, 16 september 1995
Bron: de Volkskrant

Gedwongen vertrek uit oorlogsgebied kostte 1,5 miljoen burgers het leven
The Guardian

Zaven Sarkissian klemt zijn hand vaster om zijn wandelstok en vecht tegen zijn tranen. Hij woont in een huisje in de heuvels bij Kirovakan in centraal Armenië en is nu 87, maar hij kan zich nog precies de dag herinneren dat zijn jeugd ten einde liep.

Het was 1915 en hij was zeven jaar oud. Op een dag arriveerden er Ottomaanse soldaten in zijn geboorte- dorp Moush, in het zuidoosten van Turkije. Ze dreven zijn familieleden bij elkaar in een boerderij en staken die in brand.

Alleen Zaven Sarkissian en een neefje konden ontsnappen door een gat in de muur. "Tot die tijd was ik gewoon een kind, dat zorgeloos speelde", zegt hij. Hij werd opgevangen door Koerden in de omgeving en uiteindelijk gered door Russische soldaten, die vanuit de Kaukasus oprukten. Zij stelden vast dat het jongetje Armeens moest zijn nadat hij op straat een kruisteken voor hen had gemaakt. Hij werd ondergebracht in een kindertehuis in Georgie en kwam uiteindelijk in de jaren vijftig terecht in de Sovjet-republiek Armenië.

Sarkissian is een van 4600 geregistreerde overlevenden van het bloedbad die in Armenië wonen. Het is niet duidelijk hoeveel overlevenden er zijn van de drie miljoen Armeniërs die elders wonen – bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar ongeveer 600 duizend Armeniërs zijn terechtgekomen.

Er bestaat grote onenigheid over de feiten, maar het lijkt wel zeker dat begin deze eeuw 1,5 miljoen Armeniërs zijn omgebracht, of omgekomen door hongersnood, ziekte of uitputting tijdens de massadeportaties uit Ottomaans Turkije die in 1915 begonnen.

Nog niet zo lang geleden werden de Armeniërs getroffen door een nieuwe ramp, in 1988, toen een aardbeving 25 duizend levens eiste. Daarna besloot het buurland Azerbeidzjan, gesteund door moslim-bondgenoot Turkije, het christelijke Armenië te treffen met een handelsboycot vanwege de oorlog over de omstreden enclave Nagorno-Karabach.

Dat heeft ertoe geleid dat de kleinste voormalige Sovjet-republiek ook de armste is. Het grootste deel van Armenië bestaat uit kale heuvels en gebergte. In de grauwe industriestadjes daar tussenin is het leven, bij gebrek aan brandstof, tot stilstand gekomen.

De Armeense hoofdstad Jerevan krijgt twee tot vier uur per dag elektriciteit. Zelfs het presidentiele paleis zit al vier jaar zonder een regelmatige aanvoer van warm water. De stookolie waarover de Sarkissians beschikken is verstrekt door de Verenigde Staten . De bomen in de heuvels boven hun woning zijn al opgestookt.

Maar het echtpaar toont zich niet verbitterd. "Ik ben maar een gewone man, geen politicus", zegt Sarkissian. "Natuurlijk houd ik van mijn moeder en zal ik de plaats waar mijn familie is afgeslacht nooit vergeten. Maar we moeten vriendschappelijke betrekkingen onderhouden met Turkije, opdat zoiets nooit meer kan gebeuren."

Voor Armeniërs over de hele wereld is de massamoord op hun volk door Ottomaanse soldaten en plaatselijke bandieten het keerpunt in een lijdensgeschiedenis. Maar deze zomer werd de opvatting dat wat er in 1915-'16 is gebeurd een "genocide" was, aangevochten in een van de merkwaardigste rechtszaken die de afgelopen jaren in Frankrijk zijn gehouden.

Armeense organisaties spanden een civiel-rechtelijke zaak aan tegen de Britse academicus Bernard Lewis, die in een interview had gezegd dat er geen sprake was van volkenmoord. Lewis moest een symbolische schadevergoeding betalen van twee franc en bovendien 14 duizend franc bijdragen aan de proceskosten wegens het maken van een beledigende opmerking. Hoewel de Armeniërs een juridische overwinning boekten, is het conflict niet beslecht.

"Ik heb een fout begaan door een ongelukkige formulering te gebruiken", zegt Lewis over zijn interview met Le Monde. "Maar als je het woord genocide gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis - de doelbewuste, systematische uitroeiing of poging tot uitroeiing van een volk - dan valt het te bezien of je de term kunt bezigen voor de Armeense zaak." De joodse professor Lewis is 79 jaar, emeritus hoogleraar Midden-Oostenstudies aan de Universiteit van Princeton en een gezaghebbend deskundige op het gebied van de Ottomaanse en Armeense geschiedenis.

In documenten die Lewis de rechtbank overlegde, erkent hij dat er misdaden tegen de menselijkheid zijn begaan. Hij zegt te begrijpen dat Armeniërs erop staan de term genocide te gebruiken, vooral nu dat woord ook met grote regelmaat wordt gebruikt in verband met Bosnie-Herzegowina of Ruanda.

Maar Lewis meent dat de geschiedkundigen zich een eigen oordeel moeten vormen. Hij ziet in de massadeportaties een jammerlijk mislukte poging de bevolking weg te voeren uit een oorlogsgebied, waar Turken en Armeniërs met elkaar in de clinch lagen.

Een "volkenmoordmuseum" dat vorige maand in Jerevan is geopend, probeert dergelijke theorieen te weerleggen. Aan de muren van een schaars verlichte gang hangen tien enorme witte crucifixen. In de vitrines hangen foto's van lijken en gedwongen voettochten, en bij de uitgang staat een kristallen vaas boordevol met menselijke beenderen.

"Toen de Turkse regering het bevel gaf voor deze deportaties", staat in een fragment van de memoires van Henry Morgenthau, de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Constantinopel, "velden ze in feite het doodvonnis over een heel ras." De curator, wiens overgrootouders in het zuidoosten van Turkije werden vermoord, wijst op een ander stuk: het bevel van de Turkse minister Talat Pasha om alle Armeniërs te doden.

Turksgezinde wetenschappers noemen Morgenthaus memoires onbetrouwbaar en in academische kringen wordt algemeen aangenomen dat Talats doodvonnis een vervalsing is. Maar veel Armeniërs zien dat als revisionisme.

Het lijkt merkwaardig dat Turkije, een land met zestig miljoen inwoners, zich niet durft te verontschuldigen bij de drie miljoen Armeniërs in het buurland voor wreedheden die dateren van tachtig jaar terug. Maar Turkije is bang dat een verontschuldiging de regering in Ankara impopulair zal maken bij moslims en nationalisten, en dat die zal leiden tot Armeense claims voor schadevergoeding en de teruggave van verloren land.

Toch zijn er tekenen van verandering. Deze zomer legde de Turkse burgemeester van een wijk in Istanbul – waar nog steeds 45 duizend Armeniërs wonen – een krans bij het herdenkingsmonument in Jerevan. Vorige week vloog de Turkse premier Ciller door het Armeense luchtruim toen ze terugkeerde uit Azerbeidzjan. En de Armeense minister van Onderwijs bracht de gemoederen in beroering door te opperen dat kinderen niet al op de kleuterschool over de massamoord hoeven te leren.

Sommige Turkse intellectuelen erkennen de noodzaak van een verontschuldiging, maar diplomaten in Ankara blijven erop hameren dat goede betrekkingen onmogelijk zijn zolang de Armeense strijdkrachten zich niet hebben teruggetrokken uit Azerbeidzjan.

Sommige Turkse functionarissen verdenken Armenië ervan de hand te hebben in de onafhankelijkheidsstrijd van de Koerden. Het ironische is dat de Koerden het zuidoosten van Turkije alleen als deel van Koerdistan kunnen claimen omdat alle Armeniërs er verdreven zijn.

Als de oude Sarkissian te horen krijgt dat in zijn geboortedorp Moush weer gemoord wordt – deze keer door Turken en Koerden – lacht hij ongelovig. "Ik wou dat de mensen in deze streek erin slaagden met elkaar te leven zonder elkaar uit te moorden", verzucht hij.