Terug naar vorige pagina
De Volkskrant, 15 juni 2007
Bron: de Volkskrant
De schandvlek van de Turkse natie
Door Olaf Tempelman
AMSTERDAM - De Turkse historicus Taner Akçam, die het boek De Armeense Genocide schreef, heeft een bijeenkomst in Nederland afgezegd uit angst voor represailles van Turkse nationalisten. Ook vreest hij dat hij bij terugkeer de Verenigde Staten, waar hij woont, niet meer in komt.
Vaak kalmeren de gemoederen naarmate de tijd verstrijkt, soms raken ze steeds verder verhit. Dat laatste is het geval in de discussie over wat er in de jaren 1915-1916 gebeurde met de Armeense bevolking van de oostelijke provincies van het uiteenvallende Ottomaanse Rijk.
Meer dan negentig jaar na dato speelde de vraag of er toen een genocide plaatsvond ineens een rol in de Nederlandse parlementsverkiezingen. In januari werd de Turks-Armeense journalist Hrant Dink vanwege het gebruik van de de term "genocide" door een ultranationalistische puber vermoord. Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk is wegens taboedoorbrekende uitspraken in de kwestie voorlopig naar het buitenland uitgeweken.
Taner Akçam, de eerste Turkse historicus die het woord "genocide" in het openbaar gebruikt, werd in februari op weg naar een universitaire lezing op het vliegveld van Montreal gearresteerd. Leden van de Turkse diaspora in Canada hadden de autoriteiten ingelicht over de komst van een "terrorist". Vanwege het grote aantal doodsbedreigingen verplaatste Akçam zich de afgelopen maanden onder zware bewaking voor de promotie van zijn boek A Shameful Act – thans in het Nederlands verschenen als De Armeense genocide.
Het is de vraag of al die mensen die Akçam bedolven onder haatdragende e-mails en dreigbrieven, het boek hebben gelezen. In plaats van een anti-Turks "J'accuse", is het namelijk een doorwrocht en vaak taai wetenschappelijk werk, zo zwaar mogelijk gedocumenteerd (een deel van het bronmateriaal is vernietigd). De gebeurtenissen van 1915 worden bezien vanuit de optiek van de daders en in een brede context geplaatst. Opvallend is vooral hoe slecht de grote Europese mogendheden er vanaf komen.
Akçams conclusie is onontkoombaar: de moord op de Armeniërs kwam uit de koker van de leiders van de Partij voor Eenheid en Vooruitgang (PEV) – jonge Turkse officieren die, met behulp van het destijds moderne Europese idee van de etnisch-homogene natiestaat, de restanten van het Ottomaanse Rijk wilden redden. Voorjaar 1915 nam de PEV-top het geheime besluit de Armeense bevolking uit de oostelijke provincies van Anatolië (het Aziatische deel van het huidige Turkije) weg te voeren en te vermoorden. Schattingen van het dodental beginnen bij zeshonderdduizend, het was onmiskenbaar een genocide.
Akçam slaagt erin de aanloop naar die gebeurtenis in hoge mate inzichtelijk te maken. De genocide was geen haastige, maar een weloverwogen actie. Boven alles vloeide die voort uit een traumatisch proces dat al meer dan een eeuw bezig was, namelijk het krimpen van het Ottomaanse Rijk.
Osmaanse moslims (de term "Turken" zou pas na 1910 in zwang raken) waren hierin eeuwenlang de dominante en bevoorrechte bevolkingsgroep geweest. Echter: in minder dan honderd jaar tijd waren zowel hun privileges als hun grondgebied op dramatische wijze geslonken. "De angst voor de totale vernietiging was permanent aanwezig tijdens de lange doodsstrijd van het sultanaat", stelt Akçam.
In zijn hoogtijdagen, de zeventiende eeuw, strekte het multi-etnische, multi-religieuze Ottomaanse imperium zich uit van Midden-Europa tot het Midden-Oosten. Christenen genoten er godsdienstvrijheid, maar waren er duidelijk tweederangs burgers. Zo was het hen verboden paard te rijden, wapens te dragen en hun kerkklokken te luiden.
In de achttiende eeuw begonnen de eerste opstanden, in het begin godsdienstig, later vooral etnisch-nationalistisch van karakter. Het rijk verzwakte in gestaag tempo. In de negentiende eeuw kreeg het de bijnaam "zieke man van Europa". Engeland, Frankrijk en Rusland, in die tijd allemaal "imperalistische kanjers", dwongen de Ottomanen voortdurend tot voor hen vernederende concessies aan de christelijke volkeren – en tot gebiedsafstand.
In de Balkanoorlog van 1912 verloren de Ottomanen uiteindelijk bijna al hun Europese gebied aan de verse christelijke natiestaten Griekenland, Servië en Bulgarije. Het hun resterende land werd overspoeld door moslim-slachtoffers van etnische zuiveringen.
De paniek was groot, het rampscenario een totale opdeling door de grote mogendheden en het ontstaan van een Groot-Griekenland in het westen en een Groot-Armenië in het oosten. Als de mensen die een groot rijk hebben gedomineerd "merken dat de machtsmiddelen van hun potentiële rivalen groter zijn geworden dan die van henzelf, dat hun overmacht is verdwenen, dan worden ze zo gevaarlijk als wilde dieren", citeert Akçam Norbert Elias.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog circuleerden binnen de PEV twee overlevingsstrategieën. De eerste was een "pan-islamatische" uitbreiding oostwaarts ter compensatie van de verloren Europese gebieden. De tweede was simpelweg te proberen het hart van het Rijk, Anatolië, te behouden en daar een etnisch-homogene Turkse natiestaat te vestigen. In beide gevallen zaten de christelijke Armeniërs, verspreid over het hele oosten van Anatolië, in de weg.
In 1914 kozen de Ottomanen de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en leken daarmee hun ondergang te bespoedigen. In de winter van 1914-1915 leden ze nederlaag op nederlaag. De chaotische oorlogsomstandigheden en de zekerheid dat er geen andere landen konden interveniëren, werden door de PEV-top vervolgens aangemerkt als een buitenkans "het Armeense probleem" uit de wereld helpen.
De deportaties waren zorgvuldig voorbereid. De Speciale Organisatie die ze uitvoerde bestond voor een groot deel uit vrijgelaten gevangenen. Andere deelnemers waren Turkse overlevenden van recente etnische zuiveringen op de Balkan. "Het waren precies deze mensen die zelf net ontsnapt waren aan een bloedbad, die nu een leidende rol zouden spelen bij het zuiveren van Anatolië van "niet-Turkse elementen"."
In de latere officiële Turkse geschiedschrijving werden de deportaties afgeschilderd als het noodlottige bijproduct van een reeks gewelddadige Armeense opstanden. Chronologisch is dat onhoudbaar. Zo brak de belangrijkste opstand, in de provincie Van, pas uit "nadat de geheime besluiten over deportatie en uitroeiing al lang waren genomen". Opvallend is juist, stelt Akçam, "dat de meerderheid van de afgevoerde Armeniërs zich in feite zonder veel verzet bij de deportatiebevelen neerlegde".
Er waren Armeense bendes die meedogenloze acties uitvoerden onder Turken. In een later stadium zouden wraakacties in intensiteit toenemen. Maar, stelt Akçam, "volgende moordpartijen kunnen nooit een eerdere genocide rechtvaardigen". De moord op de Armeniërs is qua omvang niet te vergelijken met verspreide wraakacties.
Na de Eerste Wereldoorlog was de schok over het etnisch zuiveren van Oost-Anatolië wijdverbreid. De Ottomaanse regering die na de capitulatie van 1918 in Istanbul aantrad, ontkende de gebeurtenissen geenszins. Onder druk van de geallieerden maakte zij zelfs een begin met het berechten van de PEV-top, mede in de hoop op een zo gunstig mogelijke vredesregeling. Dat de Britten de Grieken vervolgens toestemming verleenden voor het bezetten van de Anatolische westkust, ondermijnde het gezag van deze "pro-geallieerde" regering evenwel ernstig.
Angst voor Griekse en Armeense expansiedrift zorgde voor de snelle opkomst van een Nationale Beweging in het Anatolische binnenland, in Ankara, voor een groot deel bestaande uit PEV-kaders. De doodklap voor de genocide-processen in Istanbul vormde uiteindelijk het Verdrag van Sèvres van augustus 1920. Daarin werd het Turkse nachtmerrie-scenario, de opdeling van Anatolië, werkelijkheid. De regering in Istanbul verloor ieder gezag, de Nationale Beweging in Ankara kreeg massale aanhang.
Wat volgde was de Turkse onafhankelijkheidsoorlog en de geboorte van de moderne Turkse natiestaat onder leiding van Mustafa Kemal "Atatürk". Voor die staat had de deportatie van de Armeniërs mede de weg bereid. Het erkennen van de genocide werd synoniem voor het ontkennen van het bestaansrecht van het nieuwe Turkije.
Akçam: "De wens van de geallieerden om Anatolië op te delen en hun wens om de misdadigers in naam van de menselijkheid te straffen waren dusdanig met elkaar verweven dat de Turkse Nationalistische Beweging de bestraffing van de daders als een klap voor de nationale onafhankelijkheid ervoer. (...) Als de kwestie van de bestraffing van de Turken niet gekoppeld was geweest aan de opdeling van Anatolië, zou de afloop van de processen in Istanbul misschien heel anders zijn geweest."
De gevolgen van deze gebeurtenissen duren voort tot op de dag van vandaag. Begrippen als "mensenrechten" en "democratie" worden in het onderbewuste van veel Turken nog steeds geassocieerd met onderwerping. In de officiële Turkse geschiedschrijving is – net als in die van alle andere staten die op Ottomaanse bodem zijn ontstaan – het taboe op het beschrijven van de eigen wandaden nog onverminderd van kracht. Akçams boek is zowel een Turkse als een academische bijdrage aan het doorbreken daarvan.