Terug naar vorige pagina
De Volkskrant, 14 juli 2001
Bron: de Volkskrant
Turken en Armeniërs verlaten hun loopgraven, heel voorzichtig
Van onze buitenlandredacteur Eric Outshoorn
Tien prominente Turken en Armeniërs hebben een 'verzoeningscommissie' gevormd om de dialoog tussen beide landen op gang te brengen. Tegelijkertijd verspreiden de Turkse autoriteiten een fel anti-Armeens boek.
Wie denkt dat de Turkse president Ahmet Necdet Sezer binnenkort in de voetsporen zal treden van de Duitse oud-bondskanselier Willy Brandt en zijn excuses zal aanbieden voor een massamoord door zijn volk in het verleden gepleegd, zal bedrogen uitkomen. Er is vrijwel geen Turk die erover denkt zijn spijt te betuigen voor de massamoord op Armeense onderdanen in de nadagen van het Ottomaanse rijk. Sterker nog: het officiële standpunt van de regering is dat er helemaal geen massamoord of grootschalige martelingen en verkrachtingen hebben plaatsgevonden. Jazeker, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog zijn er in Oost-Turkije veel slachtoffers gevallen, maar er werd dan ook een burgeroorlog uitgevochten waarbij aan beide kanten veel doden vielen.
Op de woorden "Armeense genocide" rust in Ankara een taboe. En op contacten met Armeniërs tot voor kort ook. Beide partijen zaten diep in de loopgraven en wie over de rand probeerde te kijken naar de overkant werd al snel tot de orde geroepen.
Daarom is de bijeenkomst in Genève afgelopen dinsdag waar een groep Turkse en Armeense burgers een "verzoeningscommissie" presenteerden, opmerkelijk. Hun regeringen hadden geen bezwaar gemaakt tegen de ontmoeting. De tien leden van de groep hebben elkaar al twee keer eerder dit jaar gesproken in Wenen. Daar werd de beslissing genomen om officieel naar buiten te treden.
De commissie stelt zich bescheiden op. Volgens de voormalige Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ilter Türkmen is het niet de taak van de commissie te komen tot een geschiedkundig oordeel over wat in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog in het oosten van het Ottomaanse Rijk is gebeurd.
De Turken willen niet verder gaan dan dat er veel inter-etnisch geweld is geweest tussen Turken en Armeniërs. "De gebeurtenissen toentertijd zijn niet te kwalificeren als genocide. We beschouwen ze wel degelijk als tragisch, maar ze vallen niet onder wat onder internationaal recht wordt beschouwd als volkerenmoord", zei de publicist Gunduz Aktan, een voormalige diplomaat en lid van de Turkse delegatie.
Zijn Armeense tegenvoeter Alexander Arzoumanian verklaarde tegen de Turkish Daily News dat zijn landgenoten de gebeurtenissen wel degelijk als genocide beschouwen. Een ander delegatielid, Van Z. Krikorian, voorzitter van de Armeense Vereniging in de Verenigde Staten, zei dat de "Armeense genocide fundamenteel is voor wat we zijn".
Gezien de herkomst van de Turkse deelnemers is het niet verwonderlijk dat de regering in Ankara geen bezwaar heeft gehad tegen de contacten. Behalve oud-diplomaat Aktan zitten ook de gepensioneerde generaal Sadi Erguvenc en de voormalig rector magnificus van de Bogazici Universiteit in Istanbul Ustun Erguder in de groep . Allen leden van de gevestigde orde.
Wél verwonderlijk is het feit dat Turkije vrijwel tegelijkertijd het boek The Armenian File heeft verspreid onder buitenlandse journalisten. Het is geschreven door de politicoloog en oud-diplomaat Kamuran Gürün, die is verbonden aan de Universiteit van Ankara.
Het is een betrekkelijk oud boek; de eerste Turkse editie verscheen in 1983 . De jongste editie is een ongewijzigde herdruk.
Als er één werk bij uitstek geschikt is om een dialoog tussen Armeniërs en Turken in de kiem te smoren, is het deze pennenvrucht van Gürün wel. Het begint al met de ondertitel: The myth of innocence exposed. Oftewel niks onschuldige Armeniërs; er zijn geen good guys of bad guys geweest. Gürün heeft zijn oordeel met een beitel in beton gehouwen. Niet gehinderd door enige twijfel hamert hij zijn visie er bij de lezer in.
Er is géén Armeense genocide geweest, sterker nog, die kan er niet geweest zijn, alleen al omdat er geen Armeniërs bestaan. Het volk dat daar ooit woonde, noemde zichzelf Haik en zijn land Haiastan, schrijft Gürün.
En verder wordt Turkije voortdurend in een kwaad daglicht gesteld door de invloedrijke Armeense lobby in de VS. Diezelfde lobby stelt de Turkse Republiek geheel ten onrechte verantwoordelijk voor hetgeen er is gebeurd in het Ottomaanse Rijk, terwijl het Verdrag van Lausanne in 1923 tussen de geallieerden en Turkije volgens hem kan worden beschouwd als een vrijwaringsbewijs tegen claims uit het verleden.
Dat de Turkse autoriteiten geschriften als die van Gürün zo belangrijk achten dat ze moeten worden verspreid onder de buitenlandse pers, valt slecht te rijmen met de voorzichtige dialoog tussen Turken en Armeniërs.