Terug naar vorige pagina
Trouw, 17 maart 2012
Bron: Trouw
Mens, durf te oordelen
Door Frank Furedi
We oordelen te weinig, betoogt Frank Furedi. Echte tolerantie heeft behoefte aan mensen die durven oordelen over andermans mening. Pas door de moeite te nemen een waardeoordeel uit te spreken, begin je een dialoog.
Het Franse Constitutionele Hof sprak in februari uit dat het Franse verbod op het ontkennen van de Armeense genocide ongrondwettelijk was. Het verbod was een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Deze poging om een - dwaas - idee strafbaar te stellen, ontketende een heftig debat over tolerantie en de open samenleving. President Sarkozy legde de uitspraak meteen naast zich neer; zonder een zweem van ironie liet hij weten dat het ontkennen van genocide "onaanvaardbaar en dus strafbaar is'.
De Franse regering reageert intolerant op een overtuiging. Dat is symptomatisch voor de zwakke en selectieve waardering die Europese maatschappijen voor het ideaal van tolerantie weten op te brengen.
Opmerkelijk genoeg was er in de aanloop naar de behandeling van deze onliberale wet vrijwel geen echte kritiek te horen. De afwezigheid daarvan is tekenend voor de ontwikkeling van een pragmatische en instrumentele kijk op tolerantie. Ja, westerse samenlevingen bepleiten verdraagzaamheid met de mond, maar neigen ertoe steeds meer uitzonderingen daarop te maken.
Nadat ik mijn boek "On Tolerance' publiceerde, kreeg ik steeds de vraag: Hoe kun je onverdraagzaamheid tolereren? Deze vraag draagt de gedachte in zich dat je vrijheid alleen gunt aan wie haar verdienen. En achter de retorische vraag "Is de tolerantie doorgeschoten?' zit de overtuiging dat tolerantie op rantsoen kan, en kan worden voorbehouden aan wie in ons morele universum meedraaien. Dat er "te veel' tolerantie zou kunnen zijn, betekent dat de deugd is omgetoverd in een verwennerij waar een samenleving best zonder kan. Dat tolerantie de associatie oproept met verwend gedrag, vinden we terug in het begrip zero tolerance. Een politicus die daar op uit is, bedoelt dat je al met de minste toegeeflijkheid je morele lafheid aantoont. Zero tolerance en het verbieden van bepaalde meningen door wetten op haatzaaien: het zijn in de kern administratieve oplossingen voor een politiek probleem. Zelfs in een ideale wereld gaat tolerantie niet vanzelf, ze komt niet spontaan bij je op als je geconfronteerd wordt met overtuigingen of manieren van leven die botsen op de jouwe. Het is moeilijk weerstand te bieden aan de neiging het recht van een ander om afgrijselijke denkbeelden te verkondigen te belemmeren. Toch getuigt dat van een dubbele moraal. De moderne censuur is, zo luidt de rechtvaardiging, een noodzakelijke ingreep om personen of groepen te beschermen tegen de schade die intolerantie hun zou berokkenen; intolerantie bestrijd je door méér intolerantie. Dit fenomeen illustreert hoe slap de samenleving vasthoudt aan echte verdraagzaamheid. Het paradoxale is dat de roep om intolerantie tegen de onverdraagzamen vaak samengaat met de tendens om tolerantie als iets softs voor te stellen; het heet dan dat tolerantie de echte problemen en bedreigingen uit de weg gaat. Zo betoogde de Britse premier Cameron vorig jaar over islamitisch terrorisme: "Wat we echt nodig hebben is niet de passieve tolerantie van de laatste jaren, maar een actiever liberalisme, met spierballen."
Maar wat is "passieve tolerantie'? Tolerantie is allesbehalve passief; ze vergt moed, overtuiging, liefde voor vrijheid; allemaal kenmerken van een actieve houding. Ze wil niet ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer of in overtuigingen en meningen van individuen, zolang die de autonomie van anderen niet schaden. In EU-verklaringen duikt tolerantie op als een wenselijke karaktertrek, niet als de houding jegens personen of ideeën die je niet aanstaan. Ze is in de afgelopen decennia verworden tot het krachteloze instrument van vooral-niet-oordelen. Niet oordelen, dat is ook de omschrijving van tolerantie die je vaak in teksten op scholen tegenkomt. Zo is de deugd die tolerantie zou moeten wezen verworden tot onverschilligheid. Al lijkt dat niet-oordelen heel verlicht en liberaal, kloppen doet het niet. De onwil om een oordeel uit te spreken is juist een teken van desinteresse, zelfs van lafheid. Die wordt tegenwoordig teweeggebracht door de onwil om ingewikkelde en pijnlijke kwesties onder ogen te zien. Maar als je andermans opvattingen niet kritisch tegen het licht houdt, dan gooi je de deur dicht naar het vinden van een breed gedragen consensus.
De 21-ste-eeuwse maatschappij voelt zich zo ongemakkelijk bij het uitspreken van waardeoordelen, dat ze een hele trits aan eufemismen heeft opgesteld om zich maar niet klip en klaar uit te hoeven spreken. Dan heten kinderen bijvoorbeeld kinderen met speciale behoeften'. Hannah Arendt ziet de onwil om te oordelen als een teken dat men geneigd is zich terug te trekken uit het publieke leven. Door te oordelen, ontstaat een dialoog met een ander. Volgens het gangbare vooroordeel beperkt oordelen het voorstellingsvermogen en word je er bekrompen van. Volgens Arendt maakt oordelen mensen juist open voor de samenleving. Want in een oordeel wijs je de opvatting van een ander niet af, "de kracht van het oordeel is gebaseerd op de potentiële overeenstemming met anderen".
Waardoor heeft het uitspreken van waardeoordelen zijn waarde verloren? Ten dele komt dat door intellectuelen die moeite hebben met de waarheidsclaim; ze vinden dat ieders opvatting gelijk respect verdient. Deze relativisten maken mensen met sterke standpunten uit voor essentialist, of voor fundamentalist. Een grotere rol bij het verlies van waardering voor waardeoordelen speelt wat ik de therapeutische cultuur noem. Die beschouwt mensen als niet in staat om met teleurstelling en kritiek om te gaan. In de Verenigde Staten werkt dat sterk door in de elite: daar geldt kritiek als geweld. Zo wordt het uitspreken van een waardeoordeel tot psychisch geweld - maar een complexe samenleving kan nu eenmaal niet zonder oordeel en vergelijking. In zero tolerance zit dezelfde afkeer opgeborgen: geen oordeel, geen onderscheid. Want regels zijn regels, omstandigheden tellen niet. Dat bespaart rechters de moeite van het nadenken over de toedracht van een delict; ze hoeven zelfs hun vermogen om een oordeel te vellen of onderscheid te maken niet aan te spreken. En - in het geval van het verbod op genocideontkenning - hoeven burgers niet eens meer zelf na te denken over de argumenten die de ontkenners aanvoeren.
Zero tolerance is een uiting van angst voor het nemen van risico's. Je schaft simpelweg het gevaar af dat ligt in het uitspreken van een onwelkome gedachte. Natuurlijk, tolerantie is riskant. Want zodra je beperkingen op het presenteren van allerlei overtuigingen en ideeën hebt opgegeven, weet je niet hoe het publieke leven er in de toekomst uit zal zien. Vrijheid van meningsuiting en de zucht naar kennis gaan gewoonlijk hun eigen, onvoorspelbare gang. Daarom voelen gemeenschappen zich wat ongemakkelijk bij grote vrijheid: ze hechten aan het vanzelfsprekende, aan de voorspelbare patronen van vroeger. Samenlevingen die geen afwerende houding innamen tegenover risico's, hebben historisch gezien altijd de vrijheid omarmd. In het oude Athene, de bakermat van de democratie, kreeg die riskante houding voor het eerst waardering. Durf en vrijheid waren voor de Grieken waarden die elkaar versterkten. Iets dergelijks zien we in het Italië van de Renaissance, waar ideeën over vrijheid gepaard gingen aan durf en ontdekkingsijver.
Tegenwoordig gunt het First Amendment van de Amerikaanse grondwet meer bescherming aan de vrijheid van meningsuiting dan je in Europa ziet. Een ruimere interpretatie van dat Amendment ging in de geschiedenis steeds vergezeld van een grote mate van lef - het was bepaald een fors gevaar dat godsdienstige sekten de ruimte kregen. Het geleidelijk aan oprekken van tolerantie in liberale samenlevingen getuigt van het vertrouwen dat ze hebben in het nemen van risico's. Een samenleving die vertrouwt op haar vermogen om te gaan met onzekerheid, kan afwijkende overtuigingen aan, wetend dat haar burgers in staat zijn op een verantwoorde manier met hun vrijheid om te springen. Zo bepleitte de Amerikaanse opperrechter Oliver Wendell Holmes een progressieve uitleg van de vrijheid van meningsuiting. Dat was een "experiment', zei hij. "De beste manier om de juistheid van ideeën te toetsen, is dat ze zichzelf bewijzen op de ideeënmarkt." Holmes sprak met zijn "experiment' het geloof uit in de zoektocht naar vrijheid, die een open einde heeft. Maar wat gebeurt er in een samenleving die mensen ontmoedigt om risico's te nemen? Dan heet "durf' zomaar "onverantwoord gedrag' en is voorzichtigheid tot hoogste deugd verheven. Dat is een samenleving die aangepast gedrag en het vertrouwde en vanzelfsprekende koestert en waarin de deugd van tolerantie een ongemakkelijk goed wordt.
Zonder oordeel, zonder onderscheid verandert tolerantie in een onbetwiste vorm van cultureel goedgekeurd gedrag. Dat is een probleem waar Europese samenlevingen zich zorgen over zouden moeten maken.
Frank Furedi (Boedapest, 1947) is emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Kent. Dit is een bewerking van zijn op 15 maart uitgesproken Hannah Arendt-lezing, een initiatief van het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit en Trouw.