Terug naar vorige pagina 

Trouw, 5 mei 2001
Bron: Trouw

Moord en ontschaving, Elias helpt er niet tegen
Door Samuel de Lange

"Civilisering en decivilisering" van de socioloog Ton Zwaan is in meerdere opzichten een gelegenheidswerk. Het is de bundeling van een aantal essays die hij eerder over staatsgeweld heeft geschreven, en het is zijn academisch proefschrift. Bovendien is het dé gelegenheid om de balans op te maken van de theorie die hem terzijde staat bij zijn onderzoek naar de oorzaken van grootschalig geweld.

Deze theorie, de beschavingstheorie van Norbert Elias (1897-1990), zegt in grote trekken het volgende: de geschiedenis beweegt zich van kleine mensenverbanden, waarin primaire gevoelens van verwantschap en vijandschap de toon aangeven, naar grotere verbanden zoals staten, waarbinnen de burgers een gereserveerde omgang onderhouden met veel meer mensen dan eertijds in hun stam of dorp.

De machtsverschillen tussen mensen, schrijft Elias, nemen in de loop van dit proces af, en hun geschillen worden minder gewelddadig. Dat de staatsraison inderdaad het driftleven beteugelt ligt voor de hand, want het is te kostbaar voor de vorst als onderdanen – potentiële belastingbetalers en soldaten – elkaar naar het leven staan. Beleefd onderling verkeer bood trouwens ook onderdanen voordelen.

Maar juist in de moderne tijd, toen de grote politiek het van plaatselijke privileges won, hebben zich de verschrikkelijkste gewelddaden voltrokken. Wat doet deze decivilisering, deze "ontschaving", in een land met overigens verstandige staatslieden en beschaafde burgers? Nationalisme lijkt de voornaamste ontschavende kracht, de tegenspeler van de staatsraison, of is het handlanger? In drie studies vraagt Zwaan zich af hoe de vervolgingen van de Armeniërs en de Joden, en de recente etnische zuiveringen in Joegoslavië samenhingen met nationalisme en staatsvorming.

Van de weinig bekende massamoord op de Armeniërs doet Zwaan uitvoerig verslag. Tussen 1894 en 1922 werden anderhalf miljoen Armeniërs in Turkije omgebracht, zestig procent van alle Armeniërs. De vervolging vond plaats in een paar golven en ving aan toen de sultan nog als autocraat regeerde. Ze bereikte een hoogtepunt in 1915 toen nationalistische officieren het bewind grotendeels hadden overgenomen van het hof.

Die coup was maar één van de ongeregeldheden in het Ottomaanse rijk van die dagen, dat in staat van ontbinding verkeerde. Het rijk werd bedreigd door het Russische imperialisme, en de Engelsen en Fransen aasden op de gebieden op de Balkan en in het Midden-Oosten. Binnen het rijk begonnen volkeren die eeuwenlang in horigheid hadden berust, eisen te stellen. Waaronder de Armeniërs. In die benarde situatie zocht de militaire elite naar een motto om de rijen mee te sluiten: een nationalisme dat teruggreep op de wilde tijden toen de Turkse ruiternomaden uit Centraal-Azië waren gekomen. Onder dat motto leverde de legerleiding de Armeense minderheid uit aan het voetvolk in het Anatolische hartland, Turkse boeren en Koerdische herders die de Armeniërs altijd al met scheve ogen hadden bekeken.

Al waren er onder de laatste Ottomanen Armeense partijen opgericht, de bedreiging voor de staat die daarvan uitging stond in geen verhouding tot de moorddadigheid waar het Turkse regiem zijn toevlucht tot nam, benadrukt Zwaan. De van staatswege gevoede paranoia diende een doel.

Eenzelfde haat stuurde de terreur die in Duitsland op de Joden werd uitgeoefend. Zwaan heeft een apart hoofdstuk aan de Duitse eenwording gewijd, maar in de geschiedenis van de jodenvervolging heeft hij zich beperkt tot de gebeurtenissen tot en met de "Kristallnacht" (9 en 10 november 1938). Het gaat Zwaan immers om de betekenis van het geweld voor de Duitse samenleving. En hoe men ook denkt over de verantwoordelijkheid van gewone Duitsers voor de "Endlösung" (indachtig Daniel Goldhagens "Hitler's Willing Executioners", 1996), in de door Zwaan besproken periode speelden de vervolgingen zich voor ieders ogen af.

Het Duitsland van na 1918 was net als Turkije het treurig restant van een keizerrijk, van twee om precies te zijn. Het "Heiliges Römisches Reich deutscher Nation" stamde uit de Middeleeuwen, en het Wilhelminische rijk uit de late negentiende eeuw. Het Wilhelminische moest de zwakte van het vroegere, Römische goedmaken, en het deed dat met de agressieve lijm van het nationalisme. Het greep op een krijgshaftig verleden terug, wat des te beter lukte omdat de adel nog steeds de boventoon voerde.

Vreemdelingenhaat werd in het Wilhelminische Duitsland aangewakkerd door de concurrentieslag om grondstoffen en koloniën met andere Europese mogendheden. Toen Duitsland die slag na vier jaar bittere strijd in 1918 verloor, en de overwinnaars de Weimarrepubliek het "Diktaat van Versailles" oplegden, maakten teleurgestelde officieren makkelijk de schakel met een binnenlandse vijand. Het revanchisme kristalliseerde rond de nazi's, die een oud antisemitisme nieuw leven inbliezen. Nauwkeurig beschrijft Zwaan de spiraal die vanaf 1933 steeds meer Duitsers meesleepte in een steeds fellere vervolging.

Joegoslavië, het derde voorbeeld van decivilisering van ontschaving, bezweek ook onder oude imperiale erfenissen. Op de Balkan hadden het Ottomaanse, het Habsburgse en het Russische rijk elkaar, en alle volken die zij voor zich uitduwden, eeuwen dwarsgezeten. Het startschot voor de Eerste Wereldoorlog kwam uit het pistool van een Servische terrorist. Het Joegoslavië dat na die oorlog in Versailles geconstrueerd werd, was een hok vol slechtgehumeurde nationalisten die alleen hun afkeer van het vroegere bestaan onder de Turken of Oostenrijkers gemeen hadden. In de Tweede Wereldoorlog streden de Slovenen, Kroaten en Serviërs behalve tegen de Duitsers, vooral tegen elkaar. Met een verlicht despotisme wist Tito daarna een wankel evenwicht tussen de groepen te bewaren. Na zijn dood zagen de partijen hun kans weer schoon, en trokken tegen elkaar ten strijde. De klappen kwamen overal hard aan, want de propaganda hitste op tot moord, maar Bosnië-Herzegovina, waar een politiek vacuüm bestond, werd bij uitstek een slachthuis. Onder het vaandel van oude Kroatische en Servische milities opereerden daar na 1991 krijgsheren buiten alle officiële legers om.

In alle drie gevallen waren er na de verkruimeling van het ancien régime alternatieven geweest voor de ultra-nationalistische weg die Turkije, Duitsland en de Serven en Kroaten insloegen. In Zwaans relaas van de gebeurtenissen figureren ook telkens verlichte officieren, een conservatieve partij, of gematigde nationalisten die bij de redding van het vaderland minder gewelddadig te werk wilden gaan. Maar zij legden het af tegen de bloedige fantasieën van een ijzeren garde die het volk een vijand konden verschaffen, en zo "de natie in gevaar" verenigden.

Maar al te vaak waren die extremisten zelf deel van het staatsapparaat, en de gevallen die Zwaan beschrijft, vormen allerminst een aanbeveling voor Norbert Elias' theorie die veronderstelt dat de staat een civiliserende invloed uitoefent. "Voor het begrijpen van etnisch conflict en vervolging biedt de theorie weinig direct houvast", zegt Zwaan met gevoel voor understatement. Staatshervorming en landsverdediging blijken in sommige gevallen juist met onevenredig veel geweld gepaard te gaan.

Zwaan beschrijft naast deze "wederopstanding van de krijgers" ook nog een geval waarin staatsvorming en nationale bewustwording wel volgens het boekje met weinig geweld gepaard gingen: de eigen vaderlandse geschiedenis. Maar de ironie wil dat nu juist in Nederland de geweldsbeheersing een zaak van de plaatselijke en gewestelijke elites was, niet van het centrale stadhouderlijk gezag. De regenten verenigden zich tijdens de Opstand om hun rechten tegen een machtsbeluste koning te verdedigen, maar verzetten zich vervolgens koppig tegen de militaire avonturen waar de stadhouders de Republiek in wilden storten. Waar men volgens Elias' opvattingen beheersing mocht verwachten ontbreekt die. En elders zorgt juist een wankel evenwicht van jaloerse coterieën tegen alle verwachting in voor rust. De "attenderende waarde" die Zwaan de beschavingstheorie van Elias ten slotte toedicht is wel een heel magere buit voor zo'n groot vangnet.

Er wacht de lezer aan het einde geen formule waarmee voorspeld kan worden bij welke politieke constellatie of conjunctuur fatsoenlijke mensen tot buitensporig geweld overgehaald kunnen worden. De lotgevallen van een staat laten zich ook nu pas achteraf onder woorden brengen. Als er al een helse machine aan het werk is, dan blijven nog veel krachten in het duister.

Misschien meer dan de schrijver bedoeld had, zijn deze studies geschiedschrijving met een moraal gebleven. Voor iedere historicus die zich ook voor zijn tijd verantwoordelijk voelt, mag dat een compliment heten. Ton Zwaan noemt zo iemand een "historisch socioloog".