Terug naar vorige pagina 

Trouw, 29 september 2006
Bron: Trouw

Armeense genocide / Een vrij debat duldt geen ontkenning
Door Tineke Huizinga

Een wettelijk verbod op ontkenning van volkerenmoord is nog geen aanval op de vrijheid van meningsuiting. Wel geeft het rechters een instrument. De PvdA en het CDA hebben deze week Turkse kandidaten van hun kandidatenlijst geschrapt omdat zij de Armeense genocide van 1915 ontkennen. Door Turkije wordt deze volkerenmoordnog altijd hardnekkig ontkend, terwijl de genocide in ons land in 2004 bij motie (van Rouvoet c.s.) door de Tweede Kamer werd erkend. Het wetsvoorstel van de ChristenUnie om "beledigende ontkenning van misdrijven tegen de menselijkheid" strafbaar te stellen, blijkt nu dus hoogst actueel.

Afgelopen juni presenteerde ik mijn inititatief-wetsvoorstel tot strafbaarstelling van "negationisme", het beledigend ontkennen van misdrijven tegen de menselijkheid. Dit wetsvoorstel moet nog in de Tweede Kamer worden behandeld. Maar door sommigen is het nu al weggezet als de zoveelste aanval op de vrijheid van meningsuiting of als (oneigenlijk) strijdmiddel tegen de toetreding van Turkije tot de EU.

Wat het eerste punt betreft: de ChristenUnie heeft met het wetsvoorstel zeker niet de bedoeling om een wetenschappelijk debat over de feiten de mond te snoeren. Wij zijn zelfs voorstander van zogenaamd (historisch) "revisionisme". Daarbij gaat het om het vakwetenschappelijk onderzoek met als doel de geschiedschrijving te herzien aan de hand van nieuwe of minder vertekende informatie.

Ik wil juist politisering van dat wetenschappelijke debat tegengaan. Het wetsvoorstel is louter gericht op grove of intimiderende ontkenningen of ontkenningstheorieën van algemeen erkende historische gebeurtenissen. Immers, wanneer extremistische opvattingen (van rechts, links, christenen of moslims) geaccepteerde politieke standpunten worden, kan er een klimaat ontstaan waarin discriminatie een bespreekbare optie is of wordt. Juist de voorstanders van het vrije debat moeten daar extra alert op zijn.

Ontkenning van volkerenmoord is namelijk onlosmakelijk verbonden met intimidatie, bedreiging en nog erger. Helaas is dit een realiteit, zeker voor onze Joodse, Armeense en Assyrische medeburgers. Om dit tegen te gaan moet natuurlijk veel meer gebeuren. Het laatste middel is het strafrecht en dat verdient hier ingezet te worden.

Als ontkennen wordt verboden, kan het OM effectiever onderzoek instellen naar (vermeend) provocerende uitspraken. Al dan niet op verzoek van belanghebbenden, kan het OM besluiten over te gaan tot vervolging en de rechter om een uitspraak vragen.

De ChristenUnie wil het instrumentarium van wetsartikelen tegen belediging en haatzaaien uitbreiden. Dat is geen nieuwe of verdere inperking van de vrijheid van meningsuiting. In het verleden zijn er ook al rechterlijke uitspraken geweest, waaruit blijkt dat de vrijheid van meningsuiting niet per definitie onbegrensd is en dat die ook niet is bedoeld als vrijbrief voor discriminerende of beledigende uitingen. Dergelijke juridische procedures zijn nu nog onnodig ingewikkeld.

Al in 2001 heeft de Permanente Commissie Meijers, een samenwerkingsverband van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht, aangedrongen op maatregelen. De commissie wilde dat de jurisprudentie van de Hoge Raad over de strafbaarstelling van de ontkenning en vergoelijking van holocaust, genocide en misdrijven tegen de menselijkheid vastgelegd zou worden in wetgeving. De regering heeft dat indertijd toegezegd, maar er verder geen werk van gemaakt.

Het wetsvoorstel biedt bovendien de mogelijkheid om harder op te treden tegen het steeds weliger tierend antisemitisme op internet. Ook daar had Nederland beloofd werk van te maken, maar dat is nog altijd niet gebeurd. Inzet is het vereenvoudigen van de juridische procedures, om effectiever op te kunnen treden tegen uitingen die naar de mening van de rechter niet onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Het gaat hier niet om symboolwetgeving, maar om effectiever optreden tegen ontoelaatbaar kwetsend gedrag.

Dat zoiets niet contraproductief werkt toont het volgende voorbeeld. De (semi-) wetenschapper David Irving verwierf een heldenstatus onder neonazi's met zijn holocaust-ontkenning. Die status raakte hij weer kwijt toen hij, onder dreiging van een aantal jaren gevangenisstraf in een Oostenrijkse cel, zijn uitspraken rap terugnam. Dat hij desondanks door de rechter werd veroordeeld, gaf een duidelijk signaal naar het publieke debat. Veel Europese landen kennen dergelijke wetgeving.

Over het verwijt dat met dit soort wetgeving oneigenlijke barrières worden opgeworpen en zelfs aan stemmingmakerij wordt gedaan tegen toetreding van Turkije tot de Europese Unie, kan ik kort zijn. Het een heeft niets met het ander te maken. Mijn voorstel richt zich niet specifiek op de Armeense (en Assyrische) volkerenmoord, maar noemt deze slechts als voorbeeld. Hetzelfde gaat op voor de holocaust en de massamoord op de moslims van Srebrenica.

De ChristenUnie wil paal en perk stellen aan grove, beledigende, discriminerende of racistische ontkenningen van misdrijven tegen de menselijkheid. In het vrije debat mogen slachtoffers en nabestaanden niet op afschuwelijke wijze worden gekwetst, door de ontkenning van hun verlies.

Tineke Huizinga is Tweede-Kamerlid voor de ChristenUnie.