Terug naar vorige pagina
Trouw, 29 april 2005
Bron: Trouw
In een door Talaat getekend bevel staat: Het doel van de Armeense deportatie is vernietiging.
Door Koen Koch
Voor het eerst is deze week uitgebreid geschreven over de Armeense genocide, die op 24 april 1915 begon met de arrestatie en het vermoorden van vele honderden Armeense intellectuelen, en voltooid werd met de deportatie die uitliep op de dood van ruim een miljoen Armeniërs. De organisator van deze slachtingen was Talaat, minister van binnnenlandse zaken en lid van de Jong-Turkse junta die destijds het Ottomaanse rijk bestuurde. In een door hem getekend bevel staat: "Het doel van de deportatie is vernietiging."
Na de oorlog, in het vroege voorjaar van 1919, begon in Istanbul een proces tegen de hoofdverdachten van de genocide. Dat was een eis van de geallieerde overwinnaars, zoals ze ook in de andere vredesverdragen de berechting van oorlogsmisdadigers hadden verlangd. Ook in Duitsland zijn destijds enkele van deze processen gevoerd. De processtukken van dit Turkse Neurenberg werden in het Turkse staatsblad gepubliceerd; ze documenteren zonder enige terughoudendheid de Armeense gruwelen tot in de kleinste details.
De echte hoofdrolspelers werden bij verstek ter dood veroordeeld; de meesten waren naar Duitsland, de vroegere bondgenoot, gevlucht. Slechts drie van de beklaagden werden opgehangen. Ook de op 6 juli 1919 ter dood veroordeelde Talaat was naar Duitsland gevlucht; naar Berlijn om precies te zijn. Op 15 maart 1921 werd hij daar vlak bij zijn huis in de Hardenbergerstrasse om 11 uur 's ochtends gedood door een Armeense student, Soghomon Tehlirian, 23 jaar. Een paar weken eerder was hij ook in de Hardenbergerstrasse komen wonen. Toen hij Talaat uit zijn huis zag komen, rende hij hem achterna, zette zijn pistool tegen diens hoofd en drukte af. Na zijn daad werd hij gearresteerd.
Het lezen van de stukken van de rechtszaak tegen Tehlirian is zonder meer fascinerend. Soms lijkt het meer een proces tegen Talaat dan tegen zijn moordenaar. De president van de rechtbank, dr. Lehmberg, koestert onverholen sympathie voor de verdachte, die verklaart dat zijn dode moeder hem opdracht had gegeven Talaat te vermoorden. Hij dwingt Tehlirian te vertellen over wat hij in 1915 heeft meegemaakt. De officier van justitie, die zegt dat het om een gewone moord in Berlijn gaat en niet om een vervelende kwestie ver weg in vreemd land, verzet zich daar tevergeefs tegen.
Tehlirian heeft moeite om te vertellen wat hem en zijn familie op die zwarte dag in juni overkomt. "Liever sterf ik dan dit te moeten vertellen." Maar Lehmberg houdt vol, hij wil weten wat er gebeurd is, wees sterk en vertel. Dan vertelt Tehlerian wat er gebeurd is, hoe zijn zusje wordt verkracht en vermoord, hoe de schedel van zijn jongere broer met een bijl wordt opengespleten, hoe hij dagen bewusteloos ligt met het lijk van zijn oudere broer bovenop hem.
De verdediging laat getuigen-deskundigen oproepen, dr. Lepsius, die een boek heeft geschreven waarin de Armeense gruwelen nauwkeurig worden gedocumenteerd, en generaal Liman von Sanders, destijds hoofd van de Duitse militaire missie in Turkije. Ook hij kan de gruwelen niet ontkennen, integendeel, maar hij wijst op de oorlogsomstandigheden en op het feit dat eigenlijk Koerdische bandieten verantwoordelijk waren en niet de Turken, en dat de Duitse autoriteiten alles deden om de Turken in bedwang te houden. De officier van justitie veegt de bewijzen van het tribunaal in Istanbul van tafel als overwinnaarsrecht.
Dan komen vijf psychiaters getuigen over de toerekeningsvatbaarheid van Tehlerian. Zij verschillen van mening, zoals dat gaat, maar ze zijn het erover eens dat hij lijdt aan een ernstig oorlogstrauma. Dan wordt de jury nog voorgehouden dat het niet gaat om de vraag of Tehlerian Talaat gedood heeft, dat staat vast, maar of hij volgens artikel 51 van het Duitse strafrecht ook schuldig is aan moord. Na een uur is de jury eruit. Telhirian wordt vrijgesproken, en onmiddellijk in vrijheid gesteld. Gejuich in de rechtszaal.