Terug naar vorige pagina
Trouw, 24 april 2002
Bron: Trouw
Na de volkenmoord
Door Eildert Mulder
Als meisje van twee, hobbelend in een ezeltas, overleefde Hayganas Cordikoglu in 1915 een van de massamoorden op Armeniërs. Vandaag is ze in Assen bij de jaarlijkse herdenking, haar hoofd vol verhalen over haar familie.
"Als ik het niet zelf had meegemaakt zou ik het ook niet geloven", zegt Hayganas Cordikoglu. Ze is 89 en een van de zeer weinigen die de Armeense gruwelen van 1915 in het oosten van Turkije hebben overleefd en er nu nog zijn. Ze was toen twee en heette Cordikyan, Cordikoglu is een latere verturksing door de burgerlijke stand.
Vandaag zal ze in Assen de jaarlijkse herdenking bijwonen van de genocide, op de begraafplaats in Assen, waar de Armeniërs een jaar geleden een monument onthulden. Tot woede van nationalishsche Turkse organisaties, die de gemeente Assen wilden bewegen het monument te weren. Want de massamoorden op Armeniërs zijn in Turkije een taboe. Kranten hebben het over de "zogenaamde genocide". Sinds dat rampjaar 1915 vliegen Armeense en Turkse historici elkaar in de haren. Over een ding zijn ze het eens: de Armeniërs vormden een van de vier grote bevolkingsgroepen die er voor de Eerste Wereldoorlog in het oosten van Turkije leefden: de Koerden, de Grieken, de Armeniërs en de Turken. Halverwege de jaren twintig zijn de kaarten geschud en ziet de etnische kaart eruit zoals nu. De christelijke Armeniërs en Grieken komen in het gebied dan niet meer voor.
Armeense en Turkse historici vechten over de grote getallen, de boekhouding van de dood, de politieke achtergronden, de beschuldiging van Armeens verraad in de Eerste Wereldoorlog. De Turken hebben een minder goede registratie bijgehouden van hun wandaden dan later de nazi's. De herinnering aan 1915 leven daarom vooral voort in familiesaga's. Wie het verhaal van Hayganas aanhoort moet tegen een stootje kunnen. Haar kleindochter zegt: "Die Turkse ontkenningen klinken eigenlijk wel sterk. Onze verhalen komen onszelf wel eens onwerkelijk voor."
Vanaf de schoorsteenmantel kijkt een Europees geklede man met een fez op zijn hoofd en een grote snor op ons neer. Het is Hayganas' opa van moeders zijde. Naast hem staat zijn zoon. Hij studeerde in 1915 in de stad Sivas, in centraal Turkije. Het laatste levensteken was een brief, dat ze van plan waren hen allen te vermoorden en of vader geld kon sturen, dan kon hij zich misschien nog redden.
Zelf belandde opa in de cel omdat ze hem ervan verdachten lid te zijn van een van de opstandige Armeense "comités". Hayganas windt zich 87 jaar na dato nog op over zoveel domheid. "Die man was daar veel te bang voor, hij durfde niet eens een kip te slachten", zegt ze vinnig. Want dat is in deze familiesaga een terugkerend motief, de bange opa en de dominante oma, een durfal, die altijd haar wil doorzette. Soms ten goede maar soms ten kwade, want ze zat er ook wel eens naast.
Dit soort algemeen menselijke motieven ondersteunen de geloofwaardigheid van Hayganas' verhaal. Ook de nuances maken het sterk. Niet alle Turken zijn bij haar schurken, niet alle Armeniërs heiligen. Doordat ze in die roerige jaren geen onderwijs kon volgen is ze analfabeet gebleven. Haar herinneringen kunnen niet beïnvloed zijn door wat ze later heeft gelezen. Volgens de kleindochter komen Hayganas' verhalen goed overeen met die van haar overleden man, die tien jaar ouder was. Toen hij blind werd begonnen de herinneringen als een film door zijn hoofd te spoelen.
Hayganas' beschrijving van haar dorp doet denken aan de manier waarop Palestijnen praten over hun verloren paradijsjes in wat nu Israël is. Het dorp, Zemara, is er nog. Er wonen nu veel nazaten van Turken uit Griekenland, die in de jaren twintig hierheen kwamen, in ruil voor de Klein-Aziatische Grieken, die naar Griekenland emigreerden. Toen Hayganas in 1913 ter wereld kwam leidde er nog geen weg naar het dorp. Het was alleen bereikbaar via bergpaden. Haar vader had een soort vervoersbedrijf met acht ezels. Behalve akkers waren er ook allerhande fruitbomen. Bij een oeroud fort op een heuvel, gewijd aan de heilige Sarkis, groeven kinderen in de grond naar oude, Armeense munten. Je kon er kaarsen aansteken en er was een kerkje. Op school leerden kinderen Frans. Het dorp was overwegend Armeens maar er woonden ook Turken. Het lag in de buurt van de stad Erzincan. Hayganas' herinneringen aan het dorp dateren van latere leeftijd, na hun terugkeer.
Want door een speling van het lot kwamen zij en haar familie niet terecht in de Syrische stad Deir Ezzor aan de Eufraat. Bij Deir Ezzor zijn veel Armeniërs verkommerd, op weg daarheen ook.
Hayganas' oudste herinnering is de dood van haar oma van vaders kant. Ze hield het marstempo niet bij. Samen met andere ouderen maakten soldaten haar af. Ze noemde nog snel alle namen van haar kleinkinderen op. Later twijfelde Hayganas, vroeg aan anderen of haar herinnering klopte, ze bevestigden het verhaal. Ook opa liet hier het leven.
De deportatie verloopt in fasen. Eerst moet de bevolking wapens inleveren. Dan pakken ze de jonge mannen op, niet allemaal, want een deel verbergt zich in de bergen. Bij fase drie moeten de overgeblevenen, vrouwen, kinderen en bejaarden, zich marsvaardig maken. Ook van hen ontkomt een deel. In Koerdische dorpen krijgen ze bescherming van families waarmee ze een kivra-relatie hebben, een vorm van bondgenootschap. Veel Koerdische kinderen kregen, bij hun besnijdenis, Armeensex peetouders. Omgekeerd kregen Armeense kinderen bij hun doop Koerdische peetouders. Zo waren plaatselijk de verhoudingen, toen op hoog niveau het besluit tot genocide viel.
Hayganas brengt wel een nuance aan in dat lieflijke beeld. Ze blijft herhalen dat de Armeniërs uitstekende relaties hadden met de alevieten, vrijzinnige buitenbeentjes in de islam. De meeste alevieten zijn Turken maar er zijn ook Koerdische alevieten. Met die laatsten hadden Armeniërs kivra-relaties. Over de grote meerderheid van de Koerden; orthodoxe soennitische moslims, is Hayaganas negatief. "Ze waren tegen ons, net zoals de soennitische Turken."
De kivrabescherming blijkt te zwak. De Koerdische families zouden de Armeniërs misschien wel tot de dood hebben verdedigd. Maar teleurstellend is de houding van hun Turkse dorpsgenoten. Hayganas is ervan overtuigd dat die de militairen hebben verteld bij welke Koerdische families zij verborgen zaten. De militairen dreigen die families net zo te zullen behandelen als de Armeniërs, die hun Koerdische weldoeners van een verschrikkelijk dilemma verlossen door middernacht met stille trom te vertrekken, terug naar Zemata.
Vanuit dat dorp gaat de stoet onder militaire begeleiding op pad. Ze moeten voor hun eigen leeftocht zorgen. Met een minimum aan voedsel proberen ze te overleven. Hayganas zit met haar zusje in het rechter deel van de ezeltas, aan de andere kant zitten drie nichtjes. Als de stoet het stadje waar opa gevangen zit bereikt redden een paar wonderen het leven van Hayganas. Oma vraagt de gevangenis met succes om vrijlating van haar man. "We gaan er toch allemaal aan, laat hem gaan", pleit ze. En dán volgt het tweede mirakel. Een man op een paard roept luidkeels de naam van opa. Opa verstopt zich in een deken, maar oma brengt de ruiter naar hem toe. De man heeft een vrijgeleide bij zich van een hoge Turkse relatie van opa.
Opa mag zestig mensen meenemen. Er breekt een hartverscheurende strijd uit over de vraag wie er wel of niet meegaat. Maar de gelukkigen bereiken hun Turkse weldoener niet. Als ze door een Turks dorp komen, Denizli, houden de inwoners hen tegen. Het dorp kan wel wat nieuw bloed gebruiken. Jonge mannen zoeken een Armeense bruid uit en de andere Armeniërs moeten werken. Opa, een man van aanzien, ploetert als molenaar voor een dorpsnotabele, in ruil voor bescherming. Dat laatste is overigens wel ernst. Als de zonen van de notabele de Armeniërs geld en sieraden aftroggelen, door te dreigen met de soldaten, doet oma op hoge toon haar beklag. Waarna de Turkse moeder dreigt de melk te vervloeken, waarmee ze haar verraderlijke telgen heeft gevoed.
Dan gokt oma fout. Ze wil terug naar Aemara, want volgens berichten is het daar veilig. Opa blijft in Denizli. Hayganas' moeder is zwanger. Het dorp ontvangt hen met open armen. Hayganas' vader verstopt zich dan nog in de bergen. Een koude voet is haar laatste en enige herinnering aan hem. Ze liggen op de vloer te slapen als ze die voelt, bij een heimelijk nachtelijk bezoek van vader.
Korte tijd later overlijdt moeder en schiet een Turkse kennis vader in de bergen dood. En dan ineens is er een nieuw deportatiebevel. Vreselijke tonelen. Soldaten gooien kinderen, die het marstempo drukken, in de Eufraat, maar zelfs ouders doen dat. Het is het vreselijkst denkbare dilemma: óf allemaal ten onder gaan, óf de zwaksten opofferen. Oma besluit Hayganas' zusje te doden, een jaar jonger dan zij. De twee zusjes voelen de dreiging, klampen zich aan elkaar vast. Oma geeft 's nachts het slapende zusje aan een andere vrouw, die het in de Eufraat gooit. De drie nichtjes zijn dan al vergiftigd, door tante. Oma zal later hevige wroeging krijgen. Hayganas voert dan bikkelharde gesprekken met haar. Maar oma blijft erbij dat ze geen keus had.
Ze voegen zich in Denizli weer bij opa. Na vier jaar is het politieke klimaat zo veranderd dat ze echt weer naar Zemara kunnen. Ze krijgen zelfs hun bezittingen terug maar raken die weer kwijt aan de refugiés uit Griekenland. Oma schrijft daarover een brief op poten aan Atatürk. Al die jaren houdt een Armeniër zich verborgen in een grot. Een Turkse boer heeft dat door, weet zelfs wie het is. Elke ochtend legt hij een stuk brood neer bij de grot. Bij de terugkerende Armeniërs is ook de vrouw van de holbewoner. De Turkse boer neemt de totaal verwilderde man gevangen en brengt hem naar zijn vrouw, die hem later nog een dochter schenkt. Het is dezelfde vrouw die Hayganas' zusje in de Eufraat heeft gegooid.
Hayganas groeit, samen met het dochtertje van een omgekomen oom en tante, op bij opa en oma. Als ze achttien is verhuist ze naar Istanbul, waar opa dan al woont.
Met Turkse kennissen daar heeft ze het wel over de Armeense gruwelen gehad. Een vrouw bleek twaalf Armeniërs te hebben gered. De familie procedeerde nog eens om een stuk grond: De rechter eiste het bewijs dat er geen andere erfgenamen meer leefden. Maar van slachtoffers van de genocide zijn er wel geboortebewijzen maar geen overlijdensaktes.
In bureaucratische zin leven ze dus nog. "Je weet best dat ze zijn vermoord!", riepen ze de rechter toe. Met die brutaliteit hadden ze hun zaak verloren maar het luchtte wel op.
In de jaren zeventig haalt haar zoon Hayganas, haar man en twee kleindochters naar Nederland. Haar kleindochter reisde vorig jaar mee met een groep Armeniërs door Oost-Turkije. Ze kwam op zestig kilometer afstand van Zemara, maar er was spanning ontstaan rondom die reis en de reisleidster ried haar sterk af het dorp te bezoeken.
Aan het einde van het gesprek komt ook Hayganas met een boekhouding van de dood, op de schaal van haar familie. De grootouders aan vaders kant en haar ouders zijn omgekomen. Van de zeventien neefjes en nichtjes hebben vier het overleefd, een jongen en drie meisjes. Die jongen voer in Istanbul mee met een Engels schip vol wezen. Hij belandde in de republiek Armenië. "Voor al die mensen ga ik naar Assen", zegt Hayganas.