Terug naar vorige pagina 

Trouw, 24 november 2004
Bron: Trouw

Genocide speelt Turkije parten
Door Chaja Zeegers

Turkije heeft de volkerenmoord op de Armeniërs uit 1915 nooit erkend. De gevoelige kwestie speelt mee in de overwegingen bij de toetreding van Turkije tot de EU. Deze maand gingen Turken en Armeniërs in Nederland voor het eerst openlijk in debat over de genocide.

Het gros van de christelijke Armeense minderheid in het Ottomaanse Rijk kwam gewelddadig aan zijn eind tijdens de Eerste Wereldoorlog. De rest ging grotendeels in diaspora. Armeniërs in Europa willen dat Turkije deze Armeense genocide erkent vóórdat het lid mag worden van de Europese Unie. Vandaag bespreken minister Bot en staatssecretaris Nicolaï van buitenlandse zaken in de Tweede Kamer de aan Turkije gestelde politieke eisen. Op 16 december besluit de EU-top in Portugal, onder Nederlands voorzitterschap, of Turkije volwaardig lid van Europa mag worden. Erkenning van de genocide is geen voorwaarde, maar kan wel meegewogen worden.

Turken en Armeniërs in Nederland gingen deze maand voor het eerst openlijk in debat over de kwestie die al bijna 90 jaar de gemoederen beroert. De Armeense genocide is onder Armeniërs en ook internationaal een begrip. Maar Turken willen hier niets van weten. In Turkije ligt het openlijk spreken over dit onderwerp nog in de taboesfeer. Het noemen van de genocide is zelfs een strafbaar feit. Met de discussie over Turkije's toetreding tot de Europese Unie zien Armeniërs in Europa hun kans schoon om de kwestie opnieuw onder de internationale aandacht te brengen. "Turkije in de EU, erken de Armeense genocide nu!", is de leus van de Armeniërs. Zij willen eerst erkenning van de kant van het kandidaatlid en dan pas toezeggingen voor toetreding tot de Europese Unie.

Het conflict voert terug op het jaar 1915, toen in enkele maanden tijd tussen de 800 000 en een miljoen Armeniërs werden vermoord in het oosten van het huidige Turkije. Werden zij niet direct omgebracht dan lieten zij wel het leven door ziekte, dorst en uitputting tijdens de gedwongen maandenlange marsen door de woestijn naar het zuiden. Armeense vrouwen en meisjes werd ontvoerd en verkracht. Ook werden kinderen meegenomen om verder als Turk door het leven gaan. Kerken van de christelijke Armeniërs werden vernield en Armeens bezit verdween in Turkse handen.

Wat overbleef van de Armeense samenleving raakte ontwricht. Historici hebben inmiddels bewijs geleverd dat het ging om een systematische aanpak, van bovenaf geleid. Drie ministers van het regerende Comité voor Eenheid en Vooruitgang in het Ottomaanse Rijk, Turkije's statelijke voorganger, namen het initiatief tot het uitroeien van de Armeniërs en hadden de regie over de uitvoering.

Ook andere minderheden werden slachtoffer van deze politiek, zij het niet altijd op zo grote schaal als de Armeniërs.

Aanvankelijk maakte niemand in Turkije een geheim van wat er in 1915 was gebeurd en zelfs vond een zekere berechting plaats. Die houding veranderde in 1923, toen onder leiding van Kemal Atatürk de Republiek Turkije gevestigd werd. De staatsfilosofie van het nieuwe Turkije kende een sterk nationalisme en dat bood geen ruimte voor een minder heldhaftige verleden. Opeenvolgende Turkse regeringen bleven de genocide ontkennen. De Turkse bevolking werd met deze onjuiste versie van de geschiedenis grootgebracht. Zo werden historische feiten gebagatelliseerd en ook werd de genocide voorgesteld als burgeroorlog met slachtoffers en daders aan beide zijden. In het ergste geval werden Armeniërs niet als slachtoffers, maar enkel als daders neergezet. Meer dan een generatie Turken is inmiddels met dit verminkte geschiedbeeld grootgebracht.

De laatste tijd is er wel enige beweging gekomen in deze houding. Sinds de jaren tachtig is er veel meer historisch onderzoek gedaan naar de feitelijke gebeurtenissen van destijds.

Sinds een paar Turkse geleerden de Armeense genocide hebben erkend is het debat geopend. Volgens Ton Zwaan van het Centrum voor Genocide en Holocaust Studies is zelfs in Turkije de fase van algehele ontkenning voorbij, al blijft nog altijd de ontkenning klinken, net als de verdraaiing van de werkelijkheid.

Deze maand was de Turkse journalist Ragip Duran in Nederland, voor een debat over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Hij heeft ooit in zijn eigen land vastgezeten om wat hij geschreven had. Zijn ervaring is dat journalisten de laatste tijd wat meer vrijheid hebben in hun werk. Toch gelden er in de praktijk beperkingen, bijvoorbeeld bij artikelen over de Koerdische minderheid en over de Armeense kwestie.

Internationaal is er politieke steun voor de Armeniërs. Een aantal landen erkent inmiddels officieel de Armeense genocide. Ook het Europees Parlement stelde al in 1987 dat wat de Armeniërs op het Ottomaans grondgebied tijdens de Eerste Wereldoorlog is aangedaan volgens de definitie van de Verenigde Naties uit 1948 inderdaad een genocide is geweest. Niet onbelangrijk, omdat Turkije volwaardig lid wil worden van de Europese Unie. Afspraak is dat het land pas kan toetreden als is voldaan aan de politieke Kopenhagencriteria. Dat betekent dat stabiele instellingen de democratie, rechtsorde, mensenrechten en het respect voor de bescherming van minderheden moeten garanderen. Al is er veel ten goede veranderd, op deze punten is het eindpunt nog lang niet bereikt. De vraag is hoe zwaar juist deze politieke criteria zullen wegen als de Europese Unie volgende maand in Portugal de toetreding van Turkije onder de loep neemt.

Dat de Armeense kwestie ook in Nederland leeft kwam in 2000 in Assen aan het licht. Een Armeniër ter plaatse vroeg toestemming om op een lokale begraafplaats een gedenksteen te plaatsen voor zijn tijdens de genocide overleden voorouders en volksgenoten. Toen de Turkse gemeenschap hier lucht van kreeg kwam er luid protest. Met name het woord genocide schoot de Turken in het verkeerde keelgat.

Zeker in dit licht beschouwd is het positief te noemen dat een paar progressieve Turkse Nederlanders deze maand in de Balie in Amsterdam de moed hadden om met Armeense Nederlanders te komen praten. Eigenlijk waren deze Turkse sprekers er wel van overtuigd dat Turkije op den duur de genocide moet erkennen. Zij voelen het ongemak dat onder Turken over dit onderwerp leeft. Binnenskamers wordt er wel over gesproken, maar openlijk niet. Volgens Hatice Can-Engin zullen veranderingen op dit terrein langzaam gaan. "Kijk maar naar de discussie over eerwraak, die is ook nog maar drie jaar op gang."

Zeki Arslan van het multicultureel Instituut Forum roept Turkse organisaties in Nederland op om zich uit te spreken over de Armeense genocide en zich niet te verschuilen achter de angst. "We moeten mededogen tonen aan de Armeense bevolkingsgroep". Maar anders dan de Armeniërs willen de Turkse sprekers niet dat het kandidaatlid het mes op de keel wordt gezet. "Dan zullen de nationalistische stromingen alleen maar proberen Turkije buiten de Europese Unie te houden en dan zijn we verder van huis", aldus Arslan.

De Turkse Nederlanders hebben goede moed dat Turkije door de omgang met Europa vanzelf positief zal worden beïnvloed en dat die erkenning er dan op den duur wel komt. Hoewel de discussie soepel verloopt komt er wel protest uit het overwegend Armeense publiek. De Armeniërs durven er absoluut niet op te vertrouwen dat het wel goed komt en willen harde eisen. Volgens hen moet eerst die erkenning er komen en dan pas de toetreding, niet andersom. Nu kun je eisen stellen, na toetreding niet meer.

Arie Oostlander, gewezen europarlementariër voor het CDA en rapporteur voor het kandidaat-lid, vindt ook dat de erkenning er wel moet komen voordat Turkije definitief toetreedt, maar hij weet hoe gevoelig dit onderwerp ligt. Een rechtstreekse benadering werkt niet, zegt hij. Tegelijkertijd moet deze erkenning wel het sluitstuk zijn van het europeaniseringsproces. Aan de hele taboesfeer rond de kwestie ligt volgens hem een geweldig schuldgevoel ten grondslag. Het is een groot nadeel dat de Turkse staat een product is van etnische zuivering. Een paar jaar geleden heeft hij weleens openlijk aan de Turken gevraagd of zij zich minder achtten dan de Duitsers. Die hebben immers uitvoerig spijt betuigd voor de holocaust in de Tweede Wereldoorlog. Er kwam geen rechtsreeks antwoord. Oostlanders uitspraak is ook opgenomen in een resolutie die door het Europees Parlement is aangenomen. "We moeten ernaartoe werken dat de Turken trots kunnen zijn op het in het reine komen met hun verleden", stelt Oostlander.

"Maar daarbij is het heel belangrijk voor de Turken om geen gezichtsverlies te lijden. Het is allemaal een kwestie van eer." De ex-europarlementariër gaat uit van een positieve maar strenge benadering. Hij vindt dat de Europese en Nederlandse regeringen niet te zachtzinnig moeten zijn in het volharden in hun eisen. Anders krijg je de problemen achteraf. Maar veel Europese politici en partijen willen Turkije enthousiast tegemoet treden omdat ze zo goed hun best doen. Oostlander vindt dat geen goede zaak. In zijn rol als rapporteur heeft hij gemerkt dat Turken hem juist serieus namen omdat hij staat voor zijn zaak. Soft gedrag dwingt geen respect af.

Ook Ton Zwaan van het centrum voor genocide denkt dat het belangrijk is dat Turkije zich rekenschap geeft van de negatieve kanten van haar geschiedenis. Erkenning van de Armeense genocide kan de betrekkingen met het buurland Armenië verbeteren. Net als bij de Joden na de Tweede Wereldoorlog is het belangrijk voor de miljoenen Armeense nabestaanden over de hele wereld om hun verleden te kunnen verwerken. Maar het is ook van belang voor de Turkse democratie en het verminderen van de pijn onder groepen Turken. Ook zij hebben geleden onder een verwrongen democratisering die met veel dwang en geweld gepaard ging en waarbij bevolkingsgroepen in de knel kwamen.

Het is voor de Turkse bevolking belangrijk om openlijk te kunnen spreken over de gewelddadige omgang met etnische minderheden in het verleden. Deze vrijheid van spreken over het verleden past binnen het westerse democratisch model.

Volgens Oostlander kan Europa dus nu maar beter tegen Turkije zeggen waar het op aankomt, in plaats van te verwachten dat dit land het over zeven of acht jaar wel begrepen heeft. Er ligt in de toenadering tussen Turkije en Europa een kans voor de hele Turkse samenleving om de democratie op een andere manier in te richten.

"Maar", stelt Zwaan, "wie het verleden ontkent blijft erin gevangen en, wie het verleden erkent kan zich ervan bevrijden".