Terug naar vorige pagina
Trouw, 19 januari 2007
Bron: Agos, vertaling door Trouw
Hrant Dink / Als een duif, wat angstig maar toch vrij
Door Hrant Dink
Toen justitie een onderzoek tegen me begon wegens "belediging van de Turkse identiteit" maakte ik me geen zorgen. Het zou niet tot vervolging komen, dat wist ik zeker. Als de aanklager mijn hele tekst had doorgenomen, zou hij zondermeer tot de conclusie komen dat het niet mijn bedoeling was wie of wat dan ook te beledigingen.
Maar de zaak kwam dus wel voor. Geen reden om mijn optimisme te verliezen. Ik vertrouwde op mezelf, en terecht: een commissie van drie wetenschappers oordeelde dat ik niemand had willen beledigen.
Met een gerust hart wachtte ik dus het vonnis af. Ondertussen werd ik zwartgemaakt. Kranten en tv-programma's beweerden dat ik gezegd zou hebben dat "Turks bloed giftig is". Elke dag groeide mijn populariteit als "vijand van de staat". Honderden bedreigingen werden over me uitgestort. Ik verdroeg het allemaal, want op de dag van het vonnis zouden deze mensen het schaamrood op de kaken krijgen.
Maar ik werd dus wel veroordeeld, tot zes maanden, in naam van het Turkse volk. Ik vond het onverdraaglijk. Naar mijn overtuiging is het beledigingen van mensen wegens hun etniciteit of religie racisme, en onvergeeflijk.
Ik zocht het hoger op. Dat werd me kwalijk genomen! Wat een komedie. Mijn geloof in de Turkse rechtspraak was aangetast. Zouden duistere krachten me niet opnieuw in het stof laten bijten? Had het wel zin in beroep te gaan? Nee dus. De aanklager van het Hof van Beroep eiste vrijspraak, maar de rechters hielden het vonnis overeind.
Het is duidelijk dat degenen die me zwak en kwetsbaar probeerden te maken, een doelwit, hadden bereikt wat ze wilden. Onder een beduidende groep mensen werd ik nu gezien als iemand die de "Turksheid" had beledigd. Mijn computer loopt over van tierende boodschappen uit die kring en bedreigingen. In hoeverre zijn die bedreigingen serieus? Ik weet het niet.
Helaas ben ik nu bekender dan ooit, ik voel de blik van mensen die elkaar aanstoten: "Kijk, is dat niet die Armeniër?" Aan de ene kant maakt het me nieuwsgierig – wat denken ze van me? Aan de andere kant voel ik me ongemakkelijk. Ik ga me zenuwachtig gedragen, als een duif. Net zo schichtig kijk ik om me heen.
Dit is de prijs die ik moet betalen. Wat zeiden ze ook alweer, minister Gül (buitenlandse zaken) en zijn collega Cicek (justitie): "De kwestie rond artikel 301 (strafbaar stellen van beledigen van de Turkse identiteit – red.) moet niet worden overdreven. Is er ooit iemand opgesloten?" Alsof de cel de enige prijs is die je zou moeten betalen. Weten zij wat het is veroordeeld te zijn tot een leven als van een schichtige duif? Weet u het?
Ik heb er wel eens over gedacht dit land te verlaten. Maar waar moet je heen? Luilekkerland Europa? Gemak staat me tegen, en we waren toch de mensen die van de hel de hemel wilden maken. In Turkije wilden we blijven en ons verzetten, samen met onze bekende en onbekende vrienden die vechten voor democratie en die ons steunen. Als we moesten gaan, zouden we dat doen als onze voorvaderen in 1915: gedwongen.
Ik hoop dat dat nooit gebeurt. Ik geloof het niet. Het vooruitzicht in Turkije te blijven, lucht op. Ik stap naar het Europese Hof voor Mensenrechten. 2007 zal een moeilijk jaar worden, met nieuwe en oude rechtszaken. Wie weet welk onrecht me nog wordt aangedaan?
Wat er ook gebeurt, er is een gedachte die me overeind houdt. Ik voel me rusteloos als een duif, maar ik weet dat mensen in dit land deze dieren ongemoeid laten. Ze leven zelfs in het centrum van steden, in grote zwermen. Oké, ze zijn een beetje angstig, maar vrij.