Terug naar vorige pagina 

Trouw, 14 oktober 2006
Bron: Trouw

Je praat niet over verkrachting als er kinderen bij zijn
Door Eildert Mulder

Nicolai Romashuk was in 2000 de drijvende kracht achter het monument, op een begraafplaats in Assen, dat de Armeense genocide herdenkt. Hoewel hij in 1953 werd geboren, heeft zijn jeugd in het teken gestaan van de grootscheepse moord in 1915 van de Turken op de Armeniërs. Hij vertelt zijn verhaal.

Nicolai Romashuk uit Assen heeft zijn eerste veertien levensjaren doorgebracht in een grot onder een Armeens klooster in Jeruzalem, met walmende olielampen, kaarsen en oude, zwaar getraumatiseerde vrouwen in rouwkleding.

Zelfs de kerk van het heilige graf, een paar honderd meter verderop, heeft hij die periode nooit gezien. Eenmaal is hij van het kloosterterrein af geweest, om zijn geesteszieke moeder in een inrichting bij Bethlehem te bezoeken. Hij herinnert zich nog de tralies, waaraan ze zich vastklampte. En verder bestond zijn wereld, behalve uit die donkere grot met zijn herrie, uit drie kerken, een school, een basketbalveldje, drie toiletten voor honderden mensen, een afdruk van de elleboog van Jezus, een bibliotheek vol handschriften die met het rode bloed van wurmen van de berg Ararat waren geschreven en het hoofd van een heilige, dat leden van een concurrerende kerk eens hebben geprobeerd te stelen.

Romashuk is geboren in 1953, 38 jaar na de volkerenmoord van 1915. Toch wijt hij zijn absurde jeugd aan die gebeurtenis.

De grot ligt ver achter hem. In 1976 kwam hij naar Nederland. Maar nog steeds blijft die donkere, grillig gevormde Hades met zijn, 's winters stinkende, aladinkacheltjes en de helse kakofonie van zijn honderden, vaak gestoorde bewoners Nicolai Romashuk achtervolgen.

Hij spreekt zacht; geleerd in de grot. "Als ik te luid praatte kreeg ik een draai om de oren."

Romashuk was de drijvende kracht achter het monument voor de Armeense genocide, dat in mei 2000 werd onthuld op een begraafplaats in Assen.

Hij belt de krant als de publiciteit losbarst over de drie Turkse kandidaat-Tweede Kamerleden, die de genocide ontkennen. Voor de telefoon klinkt zijn verhaal ongelooflijk.

Armeense kinderen die 38 jaar na de volkerenmoord nog in een grot opgroeien?

Een paar dagen later liggen er op een tafel in een wegrestaurant boeken uitgestald.

Romashuk houdt van dit soort horeca; ze doet hem denken aan plekken waar een Armeense zakenman hem bracht, om hem aan de wereld buiten de grot te laten wennen.

De boeken zijn alle van kort voor of na 1920 en gaan over de genocide. Eén heet "Marteling der Armeniërs in Turkije", uitgegeven door het "Nederlandse comité tot hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs".

Achterin zitten, ongebruikt, vier chèques, waarmee de lezer voor het toen forse bedrag van honderd gulden per jaar de zorg van een Armeense wees op zich kon nemen.

Hij laat een fotokopie zien van het boek "Deutschland und Armenien" van de Duitse predikant Lepsius. Het verscheen in 1919 in Potsdam en bevat reportages van Duitse diplomaten, die in 1915 vanuit Turkije indringend berichtten over de Armeniërs.

Romashuk is, gerekend vanaf de genocide, een Armeniër van de derde generatie. Zijn oma is in Turkije geboren – in Adana, aan de Middellandse Zee. Zij overleefde in 1915 als enige van haar familie. In Adana waren de Romashuks, zakenmensen, welgesteld. Maar oma kwam als eenzame weduwe berooid aan in Jeruzalem.

Details kent Nicolai niet. De kinderen van de grot kregen geen gruwelverhalen te horen. Volwassenen praatten er wel over, maar in het Turks, als geheimtaal.

Wie praat over verkrachtingen en andere ellende, waar kinderen bij zijn? Maar soms moet je het aan iemand kwijt; vandaar dat Turks, dat veel kinderen toch van lieverlee een beetje begonnen te verstaan. Al kregen ze ingeprent dat ze zelf nooit Turks mochten spreken, want dat zou verraad zijn aan de slachtoffers van de volkerenmoord. Het stond met krijt op het schoolbord, in de linker benedenhoek.

In het Midden Oosten is er maar één sociaal vangnet: de familie. Wie, zoals oma Romashuk, geen familie meer heeft, en geen geld, eindigt op de onderste sport van de ladder.

Toch had ze een comfortabeler onderkomen kunnen krijgen dan die naargeestige grot, waar het enige daglicht via een gierig roostertje in het dak naar binnenkwam.

Bij haar aankomst in Jeruzalem hoorde ze dat er bij de Armeense katholieke kerk opvang was. Maar die kerk eiste haar overgang naar het katholicisme en dat was voor apostolische oma Romashuk onbespreekbaar. "Als ik moslim was geworden, dan had ik in Turkije kunnen blijven en onze bezittingen kunnen behouden", zei ze trots. "Dat heb ik geweigerd en denk je dan dat ik nu katholiek word, omdat jullie me anders niet willen helpen?"

Met andere afgewezen vrouwen (vluchtelingen waren meestal vrouwen en kinderen, de meeste mannen waren vermoord) ging ze naar een Armeens klooster in de oude, ommuurde stad, tussen de Jaffapoort en de klaagmuur. De bovengrondse kamers waren al bezet, zodat alleen de grot overbleef.

Het Rode Kruis hielp met touw, knijpers en dekens, zodat de mensen de grot konden opdelen in "appartementen". Maar elke privacy was natuurlijk een illusie.

Het isolement van Nicolai was erger dan dat van andere kinderen van de grot. Zijn vader was Oekraïner; het had veel voeten in de aarde voor de bruiloft doorging, want Armeniërs lieten in die dagen niet graag hun dochters met vreemdelingen trouwen.

Een jaar later al strandde het huwelijk, toen Nicolai's moeder geestesziek werd. Oma probeerde nog haar traditioneel te genezen, met een amulet in haar hoofdkussen. Vergeefs, ze smeet dat kussen woest van zich af.

Na de scheiding was oma bang dat vader Nicolai zou meenemen, vandaar dat hij het kloosterterrein niet af mocht, zelfs niet om boodschappen te doen. Andere kinderen hadden tenminste eens in de veertien dagen een uitje als ze naar de mis in de kerk van het heilige graf gingen.

De verovering in 1967 door Israël van de oude stad veranderde aanvankelijk niet veel aan de microkosmos van het klooster. Toch kwam er een stroomversnelling in Nicolai's leven. Oma en hij konden verhuizen naar een kamer, omdat het mensen eindelijk lukte om het klooster te verlaten. De grot raakte leeg. Er emigreerden ook mensen, altijd met hulp van familie, tot wanhoop van Nicolai, die zelf geen familie had.

Maar toen hij de kost moest verdienen kreeg hij eindelijk de wijde wereld te zien. Hij profiteerde van de "wittebroodsweken" van de Israëlische bezetting. Voor een Armeense zakenman in Ramallah verkocht hij papieren servetjes, ook in Israël. De zaken liepen prima tot de eerste bommen ontploften. De bezetting werd grimmig en zakenlui in de bezette gebieden konden niet meer in Israël opereren.

Oma overleed. Nicolai leerde in Jeruzalem een Nederlandse toeriste kennen en ineens werkte het in zijn voordeel dat hij alleen op de wereld was. Er was daardoor niemand om er schande van te spreken toen hij met zijn vriendin in een leeg pand ging wonen, als kraakwacht.

De vriendin vroeg hem naar Nederland te komen. Een kennis sprak de profetische woorden: "Nicolai, die oorlog hier is er over twintig jaar nog. Ga maar snel naar Nederland."

In Nederland beleefde hij drie hoogtepunten: de geboorte van zijn drie kinderen, de onverwachte ontmoeting met zijn vader op Schiphol en de onthulling in 2000 van het zandstenen kruis voor de Armeense genocide.

Even kregen Asser ambtenaren, na protest van Turkse nationalisten, slappe knieën. Ze noemden de vergunning voor het monument "een vergissing", maar dat was niet vol te houden.

Romashuk beleefde dus een drievoudige revanche voor zijn kinderjaren. Maar die grot blijft in hem spoken. Dat is blijvende schade en alleen daarom al, en om veel meer redenen, eist hij dat de Turken de genocide volmondig erkennen.